Skip to content

Misstanden op ministerie van Veiligheid

Door Waarheidsvinder

Vandaag staat er een artikel in het NRC over hoe het Ministerie van Veiligheid en Justitie omgaat met medewerkers die misstanden op het ministerie melden. Volgens het artikel is op het departement er alles op gericht het blazoen schoon te houden. Of zo als wij dat altijd noemen: De waarheid is ondergeschikt aan het imago.

In het artikel komt niet zo maar iemand aan het woord, het gaat om Sjaak Jansen, voormalig vertrouwenspersoon integriteit op dat ministerie. Een citaat uit het artikel in het NRC: “Mijn ervaring is dat er strafexpedities werden ingesteld jegens ambtenaren die meldingen deden. Het eerste wat men op het ministerie deed is ontkennen, en vervolgens wegvegen. Alles was er op gericht om het blazoen schoon te houden. Melders van misstanden werden niet gepromoveerd of kregen vervelend werk te doen.”

Volgens het artikel werd Jansen tijdens zijn werk als Vertrouwenspersoon Integriteit het leven zuur gemaakt. Zijn contactgegevens werden verwijderd van het intranet van het ministerie en meldingen van misstanden werden doorgeschakeld naar een ondergeschikte van Pieter Cloo – indertijd de hoogste ambtenaar op het ministerie. De jaarverslagen die Jansen schreef waren digitaal niet terug te vinden voor medewerkers.

Uiteraard was er direct na het verschijnen van het artikel een voorlichter van het ministerie die zegt dat men zich niet herkent in de woorden van Jansen. Die zin heeft iedere voorlichter uit zijn hoofd geleerd.

De gang van zaken op het ministerie van V en J is helaas niet uniek. Bij politie en justitie is het de normaalste gang van zaken dat fouten en kritiek onder tafel worden geveegd. Melders van misstanden zijn altijd de klos, wij kunnen er uit eigen ervaring over meespreken. Uiteindelijk heeft onze goed onderbouwde kritiek ertoe geleid dat wij onze baan bij de politie Groningen zijn kwijtgeraakt. Ook toen was het imago belangrijker dan de waarheid.

Ook bij het onderzoeken van gerechtelijke dwalingen stuiten wij voortdurend op een muur van onwil. Politie en justitie doen er alles aan om de waarheid onder tafel te houden en rechters laten dat te vaak gebeuren. Lukt het uiteindelijk niet om de waarheid tegen te houden, zoals bijvoorbeeld bij de Puttense moordzaak, de Schiedammer Parkmoord en de zaak Ina Post, dan volgen geen sancties tegen de mensen die voor dat broddelwerk verantwoordelijk zijn.

Wij vrezen dat ook in deze zaak er uiteindelijk niets wezenlijks gaat veranderen op het ministerie van V en J. Er zal wel weer een hoop geroepen worden door politici die graag wat media aandacht willen hebben. De eerste Kamervragen zijn inmiddels al gesteld en verantwoordelijk VVD-minister Van der Steur moet voor 16.00 uur schriftelijk reageren.

Wij hebben daar geen hoge verwachtingen van. Deze minister heeft er al meerdere malen blijk van gegeven dat hij prima past op een ministerie waar de waarheid geen enkele rol speelt. Het zal weer een spektakel in de Tweede Kamer gaan opleveren, maar uiteindelijk zal hij er wel weer mee wegkomen.Er zal ook nu niets veranderen vrezen we. Ook deze keer zal de waarheid weer het kind van de rekening worden.

Misschien wordt het tijd voor een naamsverandering van het ministerie. De door Jansen geschilderde gang van zaken duidt immers meer op onveiligheid dan op veiligheid.

De bekentenis als doel?

Door Waarheidsvinder

Korte tijd geleden heeft één van ons meegewerkt een aan scriptie van een studente van Fontys Hogeschool in Tilburg. Het onderwerp van de scriptie was gerechtelijke dwalingen. Uw redacteur legde haar onder meer uit dat bij nagenoeg alle gerechtelijke dwaling in Nederland sprake is van één of meer valse bekentenissen. Ik heb haar verteld dat naar mijn mening die verdachten hebben bekend onder grote druk van de politie. Soms was er zelfs sprake van bedreigingen of valse beloftes. Die verdachten waren dan zo wanhopig geworden dat ze uiteindelijk alles vertelde wat de verhoorders wilde weten.

Die bekentenis, hoe afwijkend die soms ook van de feiten was, leidde dan uiteindelijk tot de veroordeling van die verdachte en soms ook van medeverdachten. Mijn stelling is dat een valse bekentenis die als bewijs wordt gebruikt een brevet van onvermogen is van politie, justitie en de rechters.

Na de dwaling met de Schiedammer Parkmoord – ook in die zaak werd aanvankelijk, dankzij een valse bekentenis, een onschuldige veroordeeld – stelde het College van Procureurs-generaal een commissie in die onderzoek moest doen naar de oorzaken van deze dwaling. Deze commissie stond onder leiding van advocaat-generaal Frits Posthumus. Ook Frits Posthumus is door de studente benaderd. In een gesprek met haar verklaarde hij over valse bekentenissen:

Als iemand een bekentenis heeft afgelegd, het uitgangspunt is dat die bekentenis klopt. Als de verdachte om welke reden dan ook een valse bekentenis aflegt dan ligt de kiem van dat probleem toch bij die verdachte. Je kunt tegen een verdachte moeilijk zeggen : “u moet geen valse bekentenis afleggen.” Dan zullen de meeste verdachten denken, natuurlijk ga ik geen valse bekentenis afleggen. Er zijn gevallen waarbij mensen dat wel doen omdat ze psychisch in de war zijn of omdat ze iemand anders willen beschermen. En dat kan een heel overtuigende bekentenis zijn, ook al klopt het niet helemaal.”

Hier spreekt iemand die een hoge functie bij het Openbaar Ministerie heeft en heeft moeten onderzoeken wat er fout is gegaan bij de Schiedammer Parkmoord. Als je dat bedenkt dan is het ontluisterend om te lezen wat deze man zegt. Hij heeft in ieder geval niets geleerd van zijn eigen onderzoek. Klakkeloos de schuld voor een valse bekentenis naar de verdachten te schuiven is niet alleen een belediging voor de mensen die een valse bekentenis hebben afgelegd, het geeft ook aan dat hij geen idee heeft hoe verhoren dienen plaats te vinden.

Natuurlijk zijn er soms mensen die spontaan een valse bekentenis afleggen. Meestal zijn dat inderdaad mensen met een stoornis die graag aandacht willen hebben. Bij de bekende gerechtelijke dwalingen ging het echter helemaal niet om mensen met een stoornis. Het ging om mensen die onder grote druk van de verhoorders uiteindelijk bekenden. Het was dus niet hun schuld dat ze een valse bekentenis aflegden, maar de schuld van de verhoorders.

Ook de uitspraak van Posthumus dat het uitgangspunt is dat een bekentenis klopt, getuigt van weinig of geen kennis van zaken. Iedere rechercheur leert dat de bekentenis niet het einde van onderzoek betekent maar het begin is van het onderzoek. Alles wat de verdachte in zijn bekentenis heeft verteld dient ondersteund te worden door feiten, er moet sprake zijn van daderwetenschap. De verdachte moet in zijn bekentenis dingen vertellen die alleen de dader zou kunnen weten. Pas als dat het geval is, dan is er sprake van een bruikbare bekentenis.

Als je kijkt naar de bekentenissen in de erkende gerechtelijke dwalingen in Nederland dan valt op dat die bekentenissen geen daderwetenschap bevatten en soms zelfs duidelijk niet kloppen met de feiten. Volgens Posthumus is dat laatste kennelijk niet belangrijk want volgens hem kan een bekentenis heel overtuigend zijn ook als die niet helemaal klopt.

Zolang dit soort uitspraken wordt gedaan door mensen die in de top van het Openbaar Ministerie werken, dan is er weinig hoop op verbetering.

Over waarheidsvinding gesproken

Door Waarheidsvinder.

Vandaag kregen wij een e-mail van oud-hoofdcommissaris van politie Jan Blaauw. De inhoud van zijn bericht vonden wij dermate van belang dat wij dit bericht, met zijn toestemming, hieronder opnemen.

Nadat in mei 2008 de werkelijk dader van de z.g. Puttense moordzaak (1994) was achterhaald, deed de toenmalige minister van Justitie mr. Hirsch Ballin, nog diezelfde maand aan de Tweede Kamer de toezegging het onderzoek in deze gruwelijke moord, na afronding, op ” grondige wijze ” te zullen laten evalueren. Waarheidsvinding in optima forma dus?

Zeven jaar later, in september 2015, verscheen vanuit het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Veiligheid en Justitie, het uitgebreide en indrukwekkende rapport Focus in de opsporing. In hoofdstuk 2.2  ” Analyse afgesloten strafzaken” staat hierin onder meer: ” Ook bleek een analyse van de de Puttense moordzaak moeilijk uitvoerbaar. Uiteindelijk is ervoor gekozen om de Puttense moordzaak, net als de zaak Lucia de Berk niet mee te nemen in dit onderzoek en de analyse te beperken tot de Schiedammer Parkmoord en de zaak Ina Post.”

Op 25 september 2015 zond minister Van der Steur een Kabinetsreactie aan de Tweede Kamer. Op pagina 1, voetnoot 3, staat het volgende vermeld: ” In de discussie rondom de Puttense moordzaak is door mij ambtsvoorganger in 2008 een externe evaluatie toegezegd. Tijdens de begroting van 2015 heb ik u laten weten dat gekozen is voor het opleveren van een breder onderzoek naar tunnelvisie. Met het onderhavige WODC-onderzoek voldoe ik aan deze toezegging.” Met die laatste zin kan minister Van der Steur naar mijn opvatting niet anders bedoeld hebben dan uitvoering geven aan de genoemde toezegging van zijn ambtsvoorganger Hirsch Ballin.

Bovenvermeld keuze van het WODC- de Puttense moordzaak niet mee te nemen in dit onderzoek- duidt echter precies op het tegenovergestelde. De vraag blijft daarom: Komt er nu wel of niet een externe grondige evaluatie van de Puttense moordzaak? Zo neen, waarom niet?, en wie heeft, wanneer, aldus beslist?

Voor alle duidelijkheid: juist het (eerste)  onderzoek in de Puttense moordzaak is dé  zaak, waar waarheidsvinding via  een  ‘breder onderzoek naar tunnelvisie’ ongetwijfeld de nodige buitengewoon leerzame lessen zal opleveren voor zowel de politie en de  justitie, als de  rechterlijke macht.
Tot slot vraag ik mij nog af:  is  ‘voetnoot 3’   misser nr. 4  van minister Van der Steur?

Tot zover het bericht van oud-hoofdcommissaris Jan Blaauw.

Ook wij vragen ons af wat Van der Steur nu werkelijk heeft bedoeld met zijn opmerking over de toezegging van een externe evaluatie van de Puttense moordzaak. Wij vrezen dat hij gewoon bedoelt dat de Puttense moordzaak en de zaak Lucia de Berk gewoon blijven liggen waar ze al lagen, namelijk in de onderste lade van zijn bureau.

 

 

Een gemiste kans

Door Waarheidsvinder

Aangehouden verdachten hebben vanaf 1 maart het recht op een advocaat tijdens een politieverhoor. Dat heeft de Hoge Raad dinsdag bepaald.

“Dit betekent dat de verdachte voordat het verhoor begint moet worden gewezen op dit recht”, licht de Hoge Raad toe. “Als de verdachte niet duidelijk afstand doet van dit recht, moet er bij elk verhoor een advocaat aanwezig zijn.”

In april 2014 bepaalde de Hoge Raad al dat het recht op een advocaat wettelijk moest worden geregeld. De vraag of deze vorm van juridische bijstand in Nederland zou worden toegestaan, heeft strafjuristen jarenlang beziggehouden. De nieuwe wet sluit aan bij Europese jurisprudentie en een huidige EU-richtlijn.

Eindelijk lijkt de zaak nu geregeld te zijn. Maar dat is maar schijn, want de Hoge Raad heeft vervolgens ook bepaald dat wanneer niet aan het recht wordt voldaan dat dit niet automatisch betekent dat een zonder advocaat afgelegde verklaring niet voor het bewijs tegen iemand mag worden gebruikt. De rechter moet in zo’n geval zelf bepalen of en zo ja, welke sanctie is.

Willekeur dus. Want er zullen politiemensen zijn, die wetende dat er geen keiharde sanctie op overtreding staat, zullen proberen zoveel mogelijk deze bepaling te omzeilen en dat zou niet moeten kunnen.

Door deze escape te bieden, maakt de Hoge Raad er zelf een potje van.

Een gemiste kans

Yolande Magy, een Belgische dwaling

Door Waarheidsvinder

Kort geleden schreven we nog dat men in België geen gerechtelijke dwalingen kende. Daar lijkt nu eindelijk verandering in te zijn gekomen. Yolande Magy zit al 7 jaar vast voor medeplichtigheid aan moord zonder dat er enig bewijs was voor haar betrokkenheid. Nadat eerst het Europees Hof de vloer had aangeveegd met haar veroordeling deed het Hof van Cassatie in België dat kortgeleden ook. Volgens er Hof had Yolande Magy destijds geen eerlijk proces gehad. Yolande moet worden vrijgelaten en de zaak moet nu helemaal over. Justitie in België probeert, net zoals we dat vaak in Nederland zien, de vrijlating van Yolande nog wat te traineren maar ze zullen er echt aan moeten geloven.

Daarnaast gaan er in België serieuze stemmen op om de stoppen met de jury-rechtspraak. Uiteindelijk krijgt men ook daar door dat het oordeel van leken niet het lot van een medemens mag bepalen zeker niet omdat er vaak niet wordt geoordeeld op basis van feiten maar op basis van gevoelens.

Een niet onbelangrijke rol in deze zaak lijkt te zijn gespeeld door journalist Douglas de Coninck van het Belgische dagblad De Morgen. Kort geleden schreef hij nog een groot artikel over de zaak. Dat artikel kunt u hier lezen. Yolande was toen nog in afwachting van het oordeel van het Hof van Cassatie.

Het artikel uit De Morgen

Ik zit hier nu zeven jaar. Onschuldig.

Yolande Magy (66) weet dinsdag of er een nieuw proces komt. Sinds 2008 zit ze in de cel voor medeplichtigheid aan moord en moordpoging. In ruil voor een bekentenis had ze zo weer op vrije voeten kunnen zijn. ‘Ik val nog liever dood.’

“Als ik u niet kan krijgen”, zei hij, “dan niemand niet.”

De woorden werden haar toegefluisterd door de man naast haar op de houten beklaagdenbank van het Antwerpse assisenhof waar ze tien dagen lang zij aan zij hadden gezeten. Het was vrijdag 17 oktober 2008 en voorzitter Dirk Thys had zonet de strafmaat uitgesproken. Hij, Willy Van Gorp, kreeg 25 jaar gevangenisstraf voor de moord op zijn echtgenote Gilberte Timmermans. Zij, Yolande Magy, kreeg 23 jaar voor medeplichtigheid en moordpoging.

”Hij zit allang weer thuis en ik zit hier”, zegt Yolande Magy (66), nadat ze tegenover ons heeft plaatsgenomen aan het bezoekerstafeltje in de gevangenis van Brugge. De gemiddelde leeftijd van de gedetineerden rondom ons ligt onder de vijfentwintig en oranje is hier niet het nieuwe zwart. De meisjes dragen allemaal een witte schort, wat hen een beetje het uitzicht geeft van verpleegsters uit de Eerste Wereldoorlog, een indruk die wordt versterkt door één meisje dat vanuit haar cel haar baby heeft meegebracht. “Zeg eens dag papa.”

Yolande Magy is klein van gestalte, draagt zorg voor haar kapsel en vingernagels, en zegt dat elk ontwaken nog altijd een overlevingsstrijd is – een even haperend besef dat dit echt is. “In die beklaagdenbank, toen hij me die woorden toefluisterde, begreep ik pas wat me was overkomen. Dit was altijd zo gepland, van de allereerste dag.”

‘Willy? Welke Willy?’

Tijdens het assisenproces, waar ze in sommige kranten werden gepresenteerd als “duivels koppel”, waren Willy en Yolande het over alles oneens, te beginnen met de eerste kus. Ondervraagd door de rechter, wist Willy die te situeren in het jaar 1964, op de boerentram op de Bredabaan tussen Ekeren-Donk en Merksem.

Ze waren nog tieners. Hij was het lokale voetbaltalent, zij het meisje van de grote stad, uit Brussel, dochter van een naar het Fort van Brasschaat overgeplaatste militair. Ze droeg naar de normen van deze landbouwregio opvallende jurkjes en sprak met een rollende ‘r’. Yolande ging naar de kappersschool, Willy naar de vakschool. Hij vertelde de dames en heren van de jury dat hij geregeld met opzet zijn tram miste. “Om bij haar te kunnen zijn.”

Wat een prachtig verhaal, vond iedereen.

Yolande Magy: “Wij zaten met groepjes jongelui op de tram, in de laatste wagon. Jongens en meisjes. En wij deden onnozel. Ik had altijd zo’n houten hoofd bij me, waarop ik als kapster mijn oefeningen moest doen. Ik gooide dan wel eens dat hoofd omhoog in de tram. Hij, Willy, hoorde bij een groepje jongens. Ik zie hem nog zitten, wat teruggetrokken, schuchter. We hebben nooit gekust; hij durfde me amper aankijken. Hij zat naar me te staren en als ik terugkeek, draaide hij zijn hoofd snel weg.”

Hun levens groeiden later uit elkaar, met gelijklopende wendingen: een slecht huwelijk, kinderen, een nieuw slecht huwelijk. Willy gaat samenwonen met zijn tweede vrouw Gilberte Timmermans in Brecht. Ze hebben zijn moeder, 90 jaar, in huis gehaald en Willy vindt zijn leven maar niks.

Het is op een avond in 2004 dat hij, al halfweg de vijftig, blijft hangen bij Spoorloos op VT4. Researchers van het programma herenigen dochters na 20 jaar met hun vader, brengen moeders na 30 jaar tot bij de zoon die ze ooit hebben gebaard, desnoods ergens in een dorp in de zool van Italië. Er is een website en daar kun je de makers contacteren als je zelf ook naar iemand op zoek bent.

Yolande Magy: “Mijn moeder belde me. Ze zei dat ze was gebeld door Spoorloos. Toen ik zijn eerste sms kreeg, had ik geen flauw idee wie hij wezen mocht. Willy? Welke Willy?”

Het was donderdag 6 januari 2005 toen hij voor haar deur stond, in Kortrijk. Met een boeket van negenendertig rode rozen en één witte. Yolande Magy: “Een rode roos voor elk jaar dat we elkaar niet hadden gezien. Een witte voor het nieuwe jaar 2005. Ons jaar. Dan voel je je wel even omvergeblazen.”

Paddenstoelenjacht

De relatie zal na acht maanden stranden. Zij zet hem aan de deur, omdat ze in hem een loser is gaan zien, die de hele dag door geen klap uitvoert. Omdat hij er na al die maanden nog steeds niet is toe gekomen om een keuze te maken. Hij woont nog steeds bij zijn Gilberte, zit aldoor te jammeren over zijn lot en zijn triestige leven.

Op zaterdag 19 november 2005 vermoordt hij Gilberte. Willy kruimelt eerst vier geplette tabletten Acedicon in haar avondsoep; als zij daar alleen maar misselijk van wordt en op bed gaat liggen, ploft hij zich met zijn volle gewicht op haar. “Ik duwde met mijn linkerhand tegen haar neus en mond, en duwde met mijn rechterhand haar hoofd in het kussen”, aldus zijn bekentenis. “Ik liet niet los.”

Yolande Magy herinnert zich dat hij haar belde. Dat er iets was gebeurd en dat ze moest komen.

”Ik moest naar mijn werk, ik deed de nacht bij Viva Xpress op Brucargo in Zaventem. Dus ik reed even langs bij hem. Voor mij was Willy een afgelopen verhaal, ik wou ‘m niet zien. Ik kom daar aan, zie hem staan voor de woning en krijg een naar gevoel. Ik ben doorgereden. Ik had al langer het gevoel dat hij zijn Gilberte iets zou aandoen. Ik had naar binnen kunnen gaan, zien wat hij had gedaan en de politie bellen. Achteraf praten is makkelijk.”

In zijn eerste verklaringen aan de politie zegt Willy dat hij alleen handelde. Dat hij nu al spijt heeft van wat hij heeft gedaan.

De politie begint daar anders over te denken als er, verborgen in een kast, een envelop wordt aangetroffen met een paar brieven van Gilberte – een noodkreet vanuit het koelvak van het mortuarium: ‘Voor wie deze brieven vindt, hier is de waarheid.’ Ze wist het heus wel, van die Yolande Magy. Voor de speurders is het duidelijk: er is een andere vrouw in het spel.

In een volgende verklaring komt Willy Van Gorp op zijn eerste versie terug. Hij zegt dat Yolande hem heeft geïnstrueerd, dat ze haar dood als een voorwaarde had gesteld om haar terug te winnen.

Hij zegt dat zij hem de Acedicon heeft bezorgd en instructies omtrent de soep. Hij zegt dat ze in de maand oktober samen paddenstoelen zijn gaan plukken in de bossen rondom Schoten-Deuzeld. “Gele met zwarte spikkels.”

Dat was het initiële plan: haar vergiftigen met mengsels van de vliegenzwam en de gele aardappelbovist.

Dubbeltje op z’n kant

In de hoofden van veel politiemensen speelt een oude levenswijsheid: Confessio est regina probationum. De bekentenis als koningin der bewijsstukken. De verdachte die bekent, is volgens een oude christelijke traditie begonnen aan de fase van gewetenszuivering. Spreekt vrijuit. De waarheid.

Yolande Magy: “Ik ben samen met mijn dochter gearresteerd, want eerst zagen ze ook haar als verdachte. Zij is alleenstaand, heeft twee kinderen. Wij zaten bij de politie en zij bleef maar jammeren dat de kinderen alleen thuis waren, dat ze naar huis moest. De volgende ochtend heeft ze een verklaring ondertekend waarin ze zei dat ik haar had verteld over de boswandelingen en de paddenstoelen. Meteen mocht ze naar haar kinderen terug. Ze heeft haar verklaring later ingetrokken, aanvoerend dat ze dat A4’tje alleen heeft ondertekend omdat ze anders niet naar huis mocht.”

De politie ontdekt in de kleine dorpsbibliotheek de inschrijving op naam van Willy Van Gorp, 21 oktober 2005. Hij heeft die dag een dvd geleend over giftige spinnen en later ook enkele boeken. Over hoe eetbare paddenstoelen te onderscheiden van giftige, en één getiteld Vrijwillige euthanasie in de praktijk. Daarover ondervraagd, zegt Willy dat het allemaal haar plan was. Dat ze samen naar de bib waren geweest, alles samen hadden gepland.

Yolande Magy: “Ik ben nooit in die bib geweest. Men heeft het voltallige personeel laten kijken naar foto’s van ons. Hem herkenden ze direct, mij niet. Men heeft biologen aan het werk gezet. Geen van die paddenstoelen groeit in dat bos. In die eerste maanden waren we allebei opgesloten, moesten we om de zoveel tijd samen voor de raadkamer verschijnen. Hij stuurde er altijd op aan dat we in de boevenwagen samen zouden worden geboeid: ‘Dan kan ik goed voor u zorgen.’ Hier begreep ik het. Dit was het, controledrang. Hij wou mij voor zich alleen.”

Na 167 dagen voorarrest in de Begijnenstraat in Antwerpen wordt ze in april 2006 zonder voorwaarden vrijgelaten door de Kamer van Inbeschuldigingstelling (KI). Ze wordt even later weer opgepakt, en weer vrijgelaten. De bewijslast is een dubbeltje op z’n kant.

Stom, die sms

Het assisenproces start op 3 oktober 2008 in het oude justitiepaleis van Antwerpen. Willy heeft al die tijd in de gevangenis gezeten; zij beleeft het in vrijheid. Ze ziet er opgeblazen uit, haar haardos is fel uitgedund. Er is kanker bij haar vastgesteld. Chemo en bestralingen hebben een wrak van haar gemaakt. Ze heeft al het geld dat haar rest, toevertrouwd aan advocaat Jan De Man, een assisenpleiter met 69 zaken op de teller.

Yolande Magy: “Het werd mijn proces, niet het zijne. Tegen hem diende niks te worden bewezen, tegen mij alles. Het is uitgedraaid op een karaktermoord. Ik, de slechte vrouw. Hij, de door zijn dromen ten onder gegane romanticus. Er kwamen mensen getuigen die zich niks herinnerden van wat ze aan de politie hadden verklaard. Er werden verklaringen voorgelezen van collega’s van mij, die zouden hebben beweerd dat ik op het werk verkondigde dat ‘mijn zoetje’ mij zó graag zag dat hij speciaal voor mij zijn echtgenote om het leven zou brengen.”

Ze kijkt om zich heen.

”Zie ik er zo stom uit? Stel, ik ben iemand die zijn vent ertoe wil brengen zijn vrouw te doden. Denkt u nu echt dat ik daarover ga spreken op mijn werk?”

Op het proces komen enkele van haar sms’jes boven water. Eentje dateert van kort na de breuk en ze beschuldigt hem ervan dat hij haar zwanger heeft gemaakt. De openbaar aanklager krijgt de lachers op de hand met de mededeling dat Yolande, 59 en allang in de menopauze, de arme Willy ook nog eens zo ver dreef om hem dit te doen geloven.

Yolande Magy: “Ik had een bloeding, had vreselijk veel pijn. Het was stom, die sms. Het zijn van die dingen die je doet als je je rottig voelt, emotioneel. Ik weet niet wat voor de jury de doorslag heeft gegeven. Ik voelde mij opnieuw het meisje van op de boerentram, het meisje van ‘t stad, omringd door allemaal mensen die mij als een indringster zagen, de femme fatale.

”Het maakte niet uit wat ik op mijn proces zei. Ik kon net zo goed tegen de muren praten. Het proces is een paar dagen stilgelegd nadat de aanklager tussen de in beslag genomen spullen de doos Acedicon opmerkte zoals de politie die had aangetroffen in mijn apothekerskastje. Ongeopend. Willy had dezelfde pillen besteld. Hij had ook daar vooraf over nagedacht. Maar in zijn doos ontbraken vier tabletten.

”Achteraf hebben we vernomen dat een van de juryleden de postbode was uit Brecht, een van Willy’s beste vrienden.”

Niet naar begrafenis van vader

Een fatik – een gedetineerde met een ondersteunende functie (betaalde arbeid) voor het gevangenispersoneel – hangt een sinterklaastekening aan het kurken prikbord. Alles voor de goede sfeer hier, in de bezoekersruimte van de vrouwengevangenis. De meeste meisjes hebben zich uitvoerig opgedirkt en beginnen bij het signaal dat aangeeft dat het bezoek ten einde loopt de man aan de overkant van het tafeltje passioneel te tongzoenen. Een beetje gênant wel.

Yolande Magy: “Ze zien mij hier als de bomma van de gevangenis, maar ik wil dat niet zijn. Dat is nu, alles bij elkaar, zeven jaar dat ik hier zit. Er zijn intussen acht mensen uit mijn omgeving gestorven onder wie mijn vader. Ik mocht niet naar zijn begrafenis, tenzij met de handboeien om, maar dat heb ik geweigerd.

”Soms denk ik: waarom moest het mij overkomen, bijna een halve eeuw lang de obsessie zijn van een maniak. Vindt u dat gezond? Geloofwaardig? Dat iemand op zijn vijftigste nog zo loopt te fantaseren over iemand uit zijn middelbare school?

”Intussen weet ik hoe je in België kunt doden zonder een spoor achter te laten, hoor. Hier in de gevangenis leer je elke dag bij. (lacht) Ik probeer het hoofd boven water te houden en de hele dag bezig te zijn, want alleen in je cel zitten is het meest ellendige. Ik werk in het atelier, ik plooi handdoeken, ik vul hygiënische zakjes met spulletjes voor ziekenhuizen.”

Het is hier, aan dit tafeltje, dat haar een dik jaar geleden werd verteld dat Willy wegens voorbeeldig gedrag was vrijgelaten en teruggekeerd naar Brecht, waar hem een feestcomité wachtte.

”Hij is vrij en ik zit hier”, zegt ze. “Het is overleven, maar ik kan dat. Ik heb kanker overwonnen, ik ga ook dit overwinnen.”

Vernietiging van het verdict

Justitieminister Koen Geens (CD&V) wil af van de assisenrechtspraak – met een volksjury die hoofdzakelijk op buikgevoel oordeelt, eerder dan dat wetenschap en forensische expertise bepalen of je schuldig bent of niet. Zijn plannen krijgen alom de wind van voren, maar het zijn cases als die van Yolande Magy die België weinig andere keuze lijken te laten.

Nadat ze de erfenis van haar vader aansprak en de Gentse advocaat Joris Van Cauter inhuurde, bekwam Yolande Magy op 24 februari van dit jaar de vernietiging van haar verdict door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. In een persbericht somt het Hof kort en bondig de redenen op waarom Yolande Magy ten onrechte is veroordeeld: “Artikel 6 paragraaf 1 van de universele verklaring van de rechten van de mens, het recht op een eerlijk proces.”

Yolande Maggy is sindsdien officieel slachtoffer van een gerechtelijke dwaling, maar anders dan alle ons omringende landen kent België geen procedures om dwalingen te corrigeren, dus blijft ze in de gevangenis zitten. Het Hof vernietigt gerechtelijke verdicten en een vluchtige check laat zien wat voor landen het meest achterlopen op de beschaving: Turkije, Bulgarije, Moldavië, België.

Naast de veroordeling van Yolande Magy werden eerder dit jaar nog drie andere assisenverdicten vernietigd omdat ze waren uitgesproken zonder motivering. “In de meeste zaken gaat er zoveel jaar overheen voor het Europees Hof uitspraak doet dat het er voor de betrokkene niet echt meer toe doet”, zegt Joris Van Cauter. “De veroordeelde is allang weer vrij en de vrijspraak is louter symbolisch. Bij mevrouw Magy ligt dat anders, en dat maakt de zaak erg bijzonder.”

Er is Yolande al eens voorgesteld om iets te regelen via de psycho-sociale dienst van de gevangenis. Ze moet daar een paar documenten ondertekenen, blijk geven van “schuldinzicht”, finaal dus toch een bekentenis afleggen, en de poort van de gevangenis zwaait zo voor haar open.

Ze grijnst.

”Ik val nog liever dood. Ik heb niemand vermoord, ik heb niemand aangezet tot moord. Ik ben veroordeeld voor iets wat ik niét heb gedaan en eis wat mij toekomt. Een nieuw proces. Dat is wat er gaat gebeuren, hoe lang ze mij hier ook nog denken vast te houden.”

Dinsdag moet het Hof van Cassatie oordelen of er een nieuw proces komt. Het Hof lijkt weinig keuze te hebben en als het wordt wat het lijkt te gaan worden, mag ze misschien in de loop van volgende week naar huis. Joris Van Cauter geeft ons mee dat hij in afwachting van het arrest “liever niets gepubliceerd wil zien over deze zaak”.

Yolande zelf ziet dat anders. “Zeven jaar, da’s lang, mijnheer. De mensen mogen het stilaan weten.”

Aanvulling 4 december 2015

Justitie in België heeft zijn verzet toch moeten opgeven. Yolande May is vanavond vrijgelaten uit de gevangenis in Brugge.

 

Het gaat alleen om scoren

Door Waarheidsvinder

Esther Neerbos en Janette Kruit zijn beiden dierenarts. Maar naast hun werk delen zij één grote passie, het opsporen van vermiste personen. Esther en Janette beschikken daartoe over een aantal zeer goed opgeleide honden. Het grote publiek kent hen waarschijnlijk beter onder de naam van de stichting waarmee zij naar buiten treden, de Stichting Signi zoekhonden.

Opvallend is het aantal successen dat de beide dames de laatste jaren samen met hun honden en een aantal duikers hebben geboekt. Die successen zijn ook bij de politie niet onopgemerkt gebleven. Je zou zeggen dat men daar heel blij is met de hulp van de beide dames die geheel kosteloos assistentie verlenen. Niets is echter minder waar, afgunst en tegenwerking zijn eerder regel dan uitzondering.

Gisteren stond er in De Volkskrant een groot artikel over het werk van de beide dames en hun honden. In dat artikel kwam ook de verhouding met de politie ter sprake. Om problemen te voorkomen hebben de dames al jaren geleden afgesproken niet op onderzoek te gaan als de politie daar nog niet heeft gezocht. Zelf zouden ze wel anders willen, maar de politie heeft er problemen mee, zelfs als men zelf geen capaciteit heeft. Een indicatie dat bij de politie vaak het eigen imago belangrijker wordt geacht dan de oplossing van een zaak. De nabestaanden van een vermist persoon moeten kennelijk maar even wachten tot men tijd en/of zin heeft.

Maar het feit dat men pas mag gaan zoeken als de politie klaar is, heeft er ook toe geleid dat regelmatig is gebleken dat de beide dames met hun honden wel succes hadden terwijl de politie niets had gevonden. Een aspect waar de politie kennelijk geen rekening mee had gehouden.

De tegenwerking van de politie gaat soms zover dat de boot van de beide dames tijdens een zoektocht op het water werd aangevaren door een boot van de KLPD. Natuurlijk per ongeluk, maar de opmerkingen van een bemanningslid dat ze daar niets te zoeken hadden, maakte duidelijk hoe “blij” de politie met hun werk is.

Maar soms gaat het nog verder. Toen de dames spontaan hadden besloten om op de Rijn op zoek te gaan naar een vermist persoon werden zij enkele dagen later gebeld door de recherche in Arnhem. Kennelijk in een poging het imago van de politie wat op te poetsen stelden men de dames voor om met hen samen te werken. Natuurlijk wilden de dames dat wel, want bij hen gaat hen alleen om het vinden van een vermist persoon en zij hebben niet de dwingende behoefte om te scoren.

Maar omdat de dames een drukke dierenartsenpraktijk hebben, kunnen zij bijna uitsluitend in het weekend met hun honden op pad. Maar politiemensen zijn ambtenaren en die werken liever niet in het weekend. Toen men vervolgens niet tot een goede afspraak kon komen, kregen de dames een verbod om op de Rijn te zoeken. Kennelijk was men bij de politie doodsbang dat de dames succes zouden hebben en dat zou dan niet goed zijn voor hun imago.

Die houding van de politie (en ook justitie) herkennen wij uit onze praktijk. Men heeft liever dat een zaak niet wordt opgelost dan dat men gebruik maakt van de kennis van anderen. Hetzelfde geldt voor gerechtelijke dwalingen. Nagenoeg iedere keer als er sprake is van een mogelijke gerechtelijke dwaling, dan stellen politie en justitie alles in het werk om de waarheid onder de pet te houden.

Net als in het geval van de Signi honden geldt ook dan; het imago van politie (en justitie) is vele malen belangrijker dan de waarheid.

 

Verbijstering

Door Waarheidsvinder

Dat was onze reactie toen wij hoorden dat Gerechtshof in Den Haag het herzieningsverzoek in de zaak van de Zes van Breda had afgewezen.

Vervolgens kwam boosheid daarvoor in de plaats. Boosheid omdat het Hof kennelijk niet op de waarheid uit was, maar gewoon het systeem wilde beschermen. Dat men ten koste van alles wilde voorkomen dat men zou kunnen zien welke blunders hun collega rechters in het verleden hadden gemaakt.

Dat justitie er een zootje van had gemaakt, en dat het werk van de politie in deze zaak het schaamrood op de kaken heeft bezorgd van politiemensen die hun vak serieus nemen. Politiemensen die niet op zoek zijn naar goedkope “succesjes”, maar op zoek zijn naar de waarheid.

Het Hof in Den Haag heeft zich kennelijk ook niet verdiept in eerdere gerechtelijke dwalingen. Als men dat wel had gedaan dan had men gezien dat er grote overeenkomsten waren met deze zaak. Het politieonderzoek deugde niet, voor de verdachten ontlastende zaken waren uit het dossier gehouden, de zogenaamde bekentenissen klopten niet met elkaar en niet met de feiten en het enige spoor dat er destijds was gevonden, een bloedspoor, bleek niet van de verdachten maar van een onbekend persoon met chinees bloed.

Het Hof trok zich daar helemaal niets van aan. Net als de vertegenwoordigers van justitie geloofde de rechters alleen wat ze wilden geloven, namelijk dat de verdachten schuldig waren. Al die zaken die daar niet bij pasten werden terzijde geschoven.

De waarheid werd opnieuw het kind van de rekening en dus blijft deze gerechtelijke dwaling bestaan.

Op een dag als vandaag waan je je even in een derdewereldland. En dat is niet als compliment bedoeld.

 

PS De advocaten van de veroordeelden hebben direct Cassatie aangetekend tegen het arrest. Wordt dus vervolgd.

De man die zijn vingers afhakte

Door Waarheidsvinder

Ook in Frankrijk wilde men lange tijd niets van gerechtelijke dwalingen weten. Daar kwam verandering in door één man die weigerde zijn onterechte veroordeling te accepteren en daarom de meest afschrikwekkende methodes gebruikte om aandacht te krijgen voor zijn zaak. Uiteindelijk lukte hem dat en kreeg hij eerherstel.Het kostte hem wel onder meer twee vingers en een teen. Hij liet daar echter niet bij en startte de Stichting Action Justice die zich ging bezig houden met andere dwalingen in Frankrijk.

Onderstaand huiveringwekkende artikel van de hand van journalist Douglas de Coninck verscheen op 12 juli 2014 in dagblad De Morgen in België.

De man die zijn vingers afhakte

Ik hakte, mijn pink viel op de grond en meteen was het één grote chaos in ons salon. Ik stond te tieren van de pijn, voor me zag ik een van de journalisten tegen de grond gaan. Flauw gevallen.”

Hoe Roland Agret, ten onrechte veroordeeld voor dubbele moord, zichzelf rehabiliteerde. En daarna 25 andere onschuldigen bevrijdde uit Franse gevangenissen.

DOUGLAS DE CONINCK

De heer des huizes snijdt het haantje aan. Of we een bout willen, of liever wit? Een vleugel? Het haantje is taai, het snijden lukt niet goed. Hij zegt: “Je eigen vinger afsnijden, dat gaat sneller.” Roland Agret (72) is ervaringsdeskundige. Hij mist links een pink en een ringvinger. “Nog geen moment spijt van gehad. Soms is het beter afstand te doen van een lichaamsdeel dan van je moraal.”

Roland Agret en Marie-Josée wonen een half uur rijden van de bewoonde wereld op een berg in de Ardèche. Ze hebben het landhuis kunnen kopen met de schadevergoeding die een rechtbank in Grenoble hem eerst had geweigerd. In 2005 joeg hij voor de ogen van verbijsterde journalisten met zijn 7.65 een kogel door zijn voet.

“Ik heb één ding geleerd. Magistraten zijn doorgaans dom. Geef hen een ei, zeg hen dat ze moeten volhouden dat het rond is en ze doen het. Hoe verder ze gaan in hun carrière, hoe beter ze daarin worden. Als je in conflict komt met magistraten, is er één pad dat je vooral niet moet bewandelen: dat van de normaliteit.”

Overal in het huis zijn kasten volgestouwd met papier. Het zijn dossiers van wanhopigen, opgestuurd vanuit gevangenissen. Na zijn rehabilitatie stichtte Roland Agret de organisatie Action Justice. Hij is de Moeder Teresa van al wie in Frankrijk onschuldig in gevangenis zit. “Wat wij met zo’n dossier doen, is wat elke politieteam zou moeten doen bij het begin van een onderzoek. We splitsen ons op. Eén team gaat gericht op zoek naar bewijzen van schuld, het andere naar bewijzen van onschuld. Na een paar dagen kom je samen. Wie heeft de betere argumenten? Het is niet zo moeilijk. Gerechtelijke dwalingen zijn over het algemeen makkelijk te herkennen en te begrijpen.”

Als we vragen hoeveel onschuldigen hij al heeft bevrijd, zegt hij niet zo met getallen bezig te zijn. Volgens Wikipedia zijn het er 25.

“Elk geval is anders. Sommigen krijgen gratie, anderen krijgen een afspraak voorgesteld: ‘Je komt vrij, maar je mag met niemand over de zaak praten.’ Soms lukte het door als getuige-expert een assisenproces te doen kantelen. Als ik in een zaak geloof, ga ik er voor. Ik heb op dat bankje gezeten, ik weet hoe het gaat. Ik kijk de juryleden een voor een in de ogen. Vertel hen mijn verhaal, dat ieder van ons slachtoffer kan worden van een gerechtelijke dwaling, ook hun broer of hun kind. En tot slot zeg ik: ‘Als u zich straks terugtrekt, denk dan aan mij.’ Net voor de beraadslaging zit ik vooraan in de zaal. Ik zoek oogcontact. En als ik tijdens een proces merk dat een jurylid sudoku’s zit op te lossen, maak ik lawaai.”

Aandachtszieke stuntman

Lang werd hij in Frankrijk gezien als aandachtszieke stuntman met een missie die in wezen niemand van nut is. In 2005 kreeg Roland Agret zijn eerste universitaire lintje opgespeld. Hij won de Graaf Monte-Cristoprijs en is sinds 2008 erelid van Reporters Sans Frontières. Vorig jaar werd hij uitgenodigd in het Franse parlement, voor een uiteenzetting over juridische dwalingen. “ Wij hebben nu, deels door mijn toedoen, een commissie die dwalingen ongedaan kan maken. Zoals in Nederland en de Scandinavische landen. Dat is mijn kei in de rivier.”

Tijdens het etentje zit hij onophoudelijk te sukkelen met een sigarettenroller. De hersenen lijken nog steeds instructies te sturen naar de verdwenen vingers. “Kettingroken is de minste van de slechte gewoonten die je overhoudt aan de cel. Ik ben nu bezig aan een boek, mijn laatste. Over gevangenissen. Wist u dat de Franse regering tweemaal zoveel investeert in het opleiden van criminelen als in universitairen? Dat is de enige return die een samenleving krijgt van gevangenissen: meer criminelen. En wij, brave burgers, zitten er dan mee. Ik vind dat de overheid niet moet investeren in criminaliteit en ben ook het punt voorbij dat ik er nog over wil discussiëren. Weet u wat? Sluit uzelf vijf uur op in uw badkamer, ervaar hoe u zich voelt, en kom dan terug. Ik zat halverwege de jaren zeventig in de Les Baumettes-gevangenis in Marseille. Daar was nog een guillotine. Met ter dood veroordeelden mocht je niet praten. De lichten brandden altijd, het was er stil. Ik heb Christian Ranucci gezien, kort voor hij zou worden onthoofd. Hij strompelde. Doodsangst heeft een vreselijke geur.”

Christian Ranucci was een twintiger die na een dubieus onderzoek werd beticht van de moord op een meisje van acht. Na zijn executie werd hij door Gilles Perrault vrijgepleit in zijn boek Le pull-over rouge. Het is onder meer deze zaak die president François Mitterrand in 1981 naar een verkiezingszege leidde met de belofte dat hij de doodstraf zou afschaffen. “Ik was toen de chouchou van links. Ik was naïef. En ik had al mijn vingers nog.”

Dubbele moord

Nîmes, eind jaren zestig. Roland Agret is een niksnut met veel vriendinnetjes, die vooral ‘s nachts leeft en rondrijdt in een Chevrolet Impala. Hij heeft al eens enkele maanden moeten brommen voor uitgifte van valse cheques en heeft een baantje in de autozaak van André Borrel, een agent van de Service d’Action Civi- que (SAC). Het geheime doodseskader van generaal de Gaulle in Algerije is in Frankrijk uitgegroeid tot een soort staatgebonden misdaadkartel.

“In de garage werden meer wapens verhandeld dan auto’s. Op een nacht stond Odile voor mijn deur, het liefje van Borrel. Ze wou van hem weg en vroeg me of ik haar naar een huis in de Garonne wou brengen. Heb ik gedaan. Net voor we daar aankwamen, werd dat huis belegerd. Alles vol kogelgaten. De politie kwam, maar toen verscheen een van de aanvallers en toonde zijn blauw-wit-rode kaart van de SAC. Die gasten waren straffeloos.

Op een dag stonden er twee huurmoordenaars voor mijn deur. Ze vertelden me dat Borrel hen had betaald om mij om te leggen, maar dat ze dat niet zouden doen. Ze wilden niet meer voor hem werken. Ik vroeg: ‘Wil je een verklaring afleggen bij de politie?’ Ja, dat wilden ze. Twee dagen later bleek dat ze Borrel en een vriend van hem hadden geliquideerd. De huurmoordenaars vluchtten en werden later toch gepakt. Nu beweerden ze dat ik hoger had geboden dan Borrel, dat ik de opdrachtgever was geweest. De politieverklaring keerde zich opeens tegen mij.”

Hij belandt in voorarrest, komt na 18 maanden vrij en ontmoet Marie-Josée, de vrouw die ons vraagt of er niet te veel look in het haantje zit. “Zij is mijn geheim”, wijst hij met zijn vork.

In maart 1973 verschijnt hij voor het assisenhof in Nîmes. Zijn lot wordt in handen gelegd van een volksjury. “Mijn advocaat zei dat ik moest zwijgen. Dat ik hen moest laten doen.” Hij krijgt vijftien jaar.

Vorken eten

Een mislukte zelfmoordpoging brengt hem voor de spiegel. “Ik lig in een bed in de ziekenboeg van de gevangenis. Ik zie de striemen in mijn hals. Ze zeggen me dat ik mezelf heb opgehangen in mijn cel, maar dat een cipier net op tijd was. Als je in de gevangenis ergens over zeurt, geven ze je een pil. Blijf je zeuren, dan geven ze je er twee. Na een tijd leef je enkel nog voor die pillen. Ik was een zombie geworden. Daar, in dat bed, heb ik me voorgenomen om nooit nog een pil te slikken. De gevangenisarts: ‘Maar u zult niet kunnen slapen!’ Ik zeg: ‘Prima, dan word ik een circusattractie. Komt dat zien, de Man Die Nooit Slaapt!’ Ik nam een wit T-shirt en schreef er in grote letters op: ‘Ik ben onschuldig.’ Ik besloot dat ik voortaan enkel nog dat T-shirt zou dragen. Geen gevangenisplunje meer voor mij. De directeur zei dat het niet mocht. Ik heb vijftien dagen in de isolatiecel gezeten. Of ik nu dat plunje wou aantrekken? Nee. Nog eens vijftien dagen. Na een tijdje drongen ze niet meer aan, ze lieten het T-shirt toe. Toen ben ik vorken gaan eten.”

Stilte aan tafel. Getik van bestek.

Hoe gaat zoiets in z’n werk, vorken eten? Hij hapt een stuk kip weg, likt de vork schoon en demonstreert. “Je vouwt de vork helemaal dubbel en duwt ‘m met de tanden naar boven in je keel. Tot de vork helemaal weg is.”

En dan?

“Dan snijden ze je keel open. Anders gaat het niet. Ik heb het vier keer gedaan. In de zestien gevangenissen waar ik zat wilden ze altijd zo snel mogelijk van me verlost zijn. Ik was onuitstaanbaar. Ik heb ook geen vrienden gemaakt in de gevangenis. Dat wou ik niet. Er is mij voorgesteld om in het atelier kleren te naaien voor de cipiers. Dat heb ik geweigerd. Men zegt dat cipiers ook maar ‘hun werk doen’. Daar ben ik het niet mee eens. Je medemens opsluiten is beulenwerk, punt.”

In de jaren ’70 wordt de Franse pers kritischer voor de smeerlapperijen van de SAC. Er verschijnt een eerste artikel in de krant Midi- Libre dat insinueert dat Agret meer dan waarschijnlijk echt onschuldig in de gevangenis zit. Op een dag wordt hij bij de directeur geroepen. “Hij toonde me het document. Gratie. Ik hoefde maar te tekenen en akkoord te gaan met de voorwaarden en ik was vrij. Nu, meteen. Ik heb het gratiebevel voor zijn ogen verscheurd: ‘Steek het in je kont.’ Ik had geen zin om blijk te geven van ‘spijt’ en ‘berouw’ voor de moorden die ik niet had gepleegd. Dat waren immers de voorwaarden.”

Door het dak

Marie-Josée heeft lokale kazen uitgestald op een bord. Hij schenkt witte wijn uit de Moesel, van een huis waarvan je moeilijk aan flessen raakt, zegt hij. Het oude koppel is extreem genereus. Uit alles wat het doet en zegt, spreekt liefde en levensdrang. Ooit hebben ze elkaar een jaar niet gesproken. Foto’s tonen Marie-Josée zoals ze halverwege de jaren zeventig was. Ze doet denken aan Audrey Tautou. Een verschijning. Zeker in een mannengevangenis.

“Ze hadden mij overgeplaatst naar Fresnes, net onder Parijs. Wilde ze me bezoeken, dan moest ze een dag reizen met de trein, een hotel nemen en de volgende dag terugreizen. Zij is dat altijd blijven doen, ook toen. Ik was met een spreekstaking begonnen. Ik reageerde nergens op. Ik zat daar, in mijn T-shirt, de totale inertie. Cipiers probeerden het vriendelijk, begonnen te brullen, probeerden het weer vriendelijk. Ik zweeg. Ik reageerde enkel op de melding van haar komst. Dan slofte ik naar de bezoekersruimte en zaten we daar, zwijgend naar elkaar te staren. En daar zat zij, zwijgend. Dat mysterieuze lachje. De mannen in de gevangenis werden bang voor haar. Ik werd weer overgeplaatst.

In de volgende gevangenis ben ik op het dak gekropen. Daar hing een oude klok. Achtenveertig uur lang heb ik als een bezetene aan die klok staan luiden: ‘Bim-bam! Ik ben onschuldig!’ Zodra een cipier aanstalten maakte om te klimmen, riep ik dat ik ging springen.”

Daar, op dat dak, hoort hij voor het eerst de stem van de man die zijn leven zal veranderen. Michel Olivères is procureur. Hij heeft het klokkengelui gehoord en is eens komen kijken. Olivères vraagt het dossier op, gaat Agret opzoeken in zijn cel. Hij zal mensen aanspreken. De zaak-Agret wekt de aandacht van magazine Le Nouvel Obs.

“Olivères heeft mij naar beneden gepraat. Hij legde me uit dat ik moest ijveren voor een nieuw proces. Dat kon, volgens de Franse wet. Ik moest met een nieuw element komen. Ik ben mijn dossier gaan lezen, ben de motoriek van een strafonderzoek gaan doorzien. Olivères is tot vandaag een van mijn beste vrienden.”

Vrij is hij dan nog niet. Hij verstuurt brieven, krijgt zelden antwoord. Hij gaat in hongerstaking. Het is 1977, het jaar van de hongerstakingen die in Duitsland aan leden van de Rote Armee Fraktion het leven kosten. “Meer dan een jaar lang ben ik gevoed met een infuus en water. Ik woog achtenveertig kilo. Mijn tanden vielen uit, ik had overal zwellingen. Een college van artsen oordeelde dat ik elk moment kon sterven. Toen kreeg ik van president Valéry Giscard d’Estaing gratie om medische redenen. Ik heb nog een maand in het ziekenhuis gelegen. Ik was vrij.”

De nieuwe minister

Of we dat laatste gezien hebben, vraagt Marie-Josée. Over die 74-jarige Amerikaanse die na 32 jaar onschuldig in de gevangenis vrijkwam? Onlangs waren er Reginald Griffin, 31 jaar onschuldig in een dodencel. Glenn Ford, 30 jaar. “Er zijn wetenschappers die schatten dat men in vijf procent van alle moordzaken de verkeerde persoon veroordeelt”, zegt hij. “En bijna altijd gaat het om mensen die vanuit de gevangenis jarenlang hemel en aarde hebben moeten bewegen om op hun eigen kosten een vergelijkende DNA-analyse te laten doen, een techniek die vroeger niet bestond. Ik denk dat het cijfer veel hoger ligt dan vijf procent. Als je al die gevallen aandachtiger bestudeert, zie je ook de logica. Een politieman is een mens zoals u en ik. Als hij op de plaats delict aankomt en dat lijk ziet, voelt hij precies hetzelfde. Woede, verachting. Aandrang om een dader te vinden, snel. Hij zit in een gemoedsgesteldheid die hem hypersubjectief maakt. Zodra de verdachte gearresteerd is, wordt het speurdersteam gedreven door één impuls: bewijzen dat ze het bij het rechte eind hebben. Já, het ei is rond. Het moét!

Ik heb tweemaal in de gevangenis gezeten. Eén keer terecht, één keer niet. Geloof me, dat is heel verschillend. Als schuldige tel je de dagen. Als onschuldige loop je permanent over muren en plafonds. Er is geen traject, geen perspectief. Er zijn alleen onrust en razernij. Wat mij het meest ergerde waren mensen die begrijpend luisterden. Die zeiden: ‘Ja, ik geloof je.’ Die schenen te denken dat die woorden je ergens voldoening geven. En dan weggingen.”

Robert Badinter was zo iemand. Hij was een intimus van François Mitterrand. Hij beloofde dat als de PS in 1981 aan de macht zou komen, Agret een nieuw proces zou krijgen. Dus ging Agret affiches plakken en spreekbeurten geven op meetings van de PS. Op verkiezingsnacht ging hij voorop in het feest. “In de nieuwe Franse regering werd mijn grote vriend Badinter minister van Justitie.”

“We kregen ‘m niet eens meer aan de telefoon”, zegt Marie-Josée. “Mooie mijnheer.” “Dus zat er niks anders meer op.” “Ik was er tegen”, zegt ze. “Weet je dat nog?”

Het vingerbokaaltje

In het salon stond een tafel, met daarop een bokaaltje, een fles whisky en een hakmes. Hij had enkele journalisten uitgenodigd en verwoordde kort zijn simpele, enige eis: een nieuw proces. Hij zou nu zijn pink afhakken, in het bokaaltje stoppen en ermee naar Parijs rijden, om het te overhandigen aan minister Badinter.

“Ik hakte, mijn pink viel op de grond en meteen was het één grote chaos in ons salon. Ik stond te tieren van de pijn, maar voor me zag ik een van de journalisten tegen de grond gaan. Flauw gevallen. “En die andere”, zegt zij, “die begon over te geven op onze vloer”.

Nog een derde reikte me pilletjes aan. Antibiotica. ‘Maar u mag ze niet combineren met alcohol’, zei hij. Ik heb zijn pilletjes weggeslagen. Op zo’n moment wil je één ding. Whisky. Véél whisky.”

Ze zijn die nacht vertrokken. Zij reed. Hij zat naast haar, met zijn hand in een verband en een bokaaltje op zijn schoot.

“De minister heeft ons niet willen ontvangen. Ik heb het bokaaltje afgegeven, en dat was het. Oké, zei ik, ik heb nog negen vingers. Over een maand staan we hier opnieuw. In hotel Lindbergh in Parijs hebben we de pers bijeengeroepen. Agenten wilden beletten dat het gebeurde. Ik heb mij teruggetrokken in mijn kamer en heb het daar gedaan. Nog voor de persconferentie begonnen was, kwam ik de trap afgerend met mijn bokaaltje. Te voet naar het ministerie van Justitie. Nu mocht ik binnen. Ik gooide het bokaaltje op de grond en mijn middenvinger rolde over het tapijt. De magistraat dook er naartoe: ‘IJs! IJs! Bel een ziekenwagen!’ (lacht) Ik heb nog eens gezegd dat ik over een maand terugkwam.”

Het bericht kwam per bruine envelop. Het nieuwe proces zou plaatsvinden in Lyon.

In een lijst aan de muur hangt de voorpagina van de Midi-Libre, 26 april 1985. Op de foto geen lach, niks wat wijst op blijdschap. Marie-Josée zoent hem op de wang, als het podiummeisje in de Tour. Het proces heeft vier dagen geduurd.

“De jury keerde terug. De hoofdman nam zijn papiertje. Onschuldig. Mensen vroegen me hoe ik me nu voelde. Ik voelde niks. De woede was niet weg. Een gerechtelijke dwaling valt niet te corrigeren. Er is niet iets waar je blij om kunt zijn. Want die zeven jaar in de gevangenis, die heb je wel gezeten.”

Twee jaar is hij bezig geweest met de zaak van Danny Leprince, een man die in 1994 na een 46 uur durend politieverhoor de moord bekende op zijn broer, zijn schoonzus en hun dochters van tien en zes. Hij trok die bekentenis de volgende dag weer in, maar kreeg levenslang. Roland Agret schreef een boek over de zaak, kreeg Leprince uiteindelijk ook vrij, maar bleef achter met een zuur gevoel. “Die man heeft 22 jaar onschuldig in de cel gezeten. Naakt, grotendeels. Ik had hem geadviseerd om dat te doen. Onuitstaanbaar zijn. Ik geloofde in hem.”

Marie-Josée wijst: “Hier lag het dossier. Drie meter hoog, tot aan het plafond. We konden de keuken niet meer in. We hebben de echte dader ook gevonden.”

Maar Danny Leprince capituleerde. Hij aanvaardde twee jaar geleden een voorwaardelijke vrijlating in ruil voor een bekentenis en een brief waarin hij aangaf berouw te hebben voor de moorden die hij niet pleegde. Of hij dat dan niet kan begrijpen, dat een mens wel eens eieren kiest voor zijn geld? Stilte. “Nee, dat begrijp ik niet. Totaal niet.”

Julien Agret is al een jaar of tien het huis uit. Hij is verwekt in 1978, het jaar na zijn vaders vrijlating. Hij was erbij toen die in 2005 zijn finale stunt uithaalde.

Roland: “Ik heb destijds een schadevergoeding gekregen van omgerekend 33.000 euro. Doordat de wet ervan uitging dat rechters zich onmogelijk kunnen vergissen, werd ik enkel vergoed voor de achttien maanden voorarrest. Absurd, nee? Ik had zeven jaar gezeten. In 2005 wijzigde de wet en kon je na een herziening van je proces worden vergoed voor alle jaren die je onschuldig had gezeten. Het was weer hetzelfde liedje: ‘Ja, u hebt helemaal gelijk, maar onze procedures laten het niet toe.’ Ik kon niet nog eens een vinger afhakken, dacht ik. Tijd voor een teen, dan. Man, dat doet pijn, zo’n kogel. Dat brandende gevoel. Met niks te vergelijken. Maar de schadevergoeding kwam.

Ik heb al mijn vrienden uitgenodigd voor een feest. Ik heb mijn dossier, een vrachtwagen vol papier, in de tuin gestapeld en heb er benzine over gegoten. Voor het eerst in al die jaren kon ik naar het dossier kijken en lachen. Het was het mooiste vuur ooit. “

“Toen heb ik haar gekust.”

De zaak Francis en Marco Gottschalk

Door Waarheidsvinder

Sinds meer dan 10 jaar houden wij ons nu onder meer bezig met het onderzoeken van gerechtelijke dwalingen in Nederland en op de Nederlandse Antillen. Toen wij in 2005 met de zaak Ina Post begonnen bestond de term gerechtelijke dwalingen ook in Nederland nog nauwelijks. We hadden als Nederland inmiddels wel de Puttense moordzaak achter de rug, waarbij twee mannen uit Putten jarenlang onschuldig vast hadden gezeten voor de moord op dorpsgenote Cristel Ambrosius, maar juist hun vrijspraak werd door velen bij politie en justitie gezien als een gerechtelijke dwaling en niet hun eerdere veroordeling. Pas toen jaren later de werkelijke dader werd gepakt en veroordeeld moest zelfs de meeste verstokte ongelovige Thomas toegegeven dat er in Putten sprake was geweest van een gerechtelijke dwaling.

Dat de Puttense moordzaak geen uitzondering was bleek wel in 2005 toen de werkelijke gang van zaken in de Schiedammer parkmoord naar buiten kwam. Ook in die zaak bleek iemand onschuldig te zijn veroordeeld. Maar zelfs toen zei de verantwoordelijke minister Donner nog dat ook deze zaak slechts een uitzondering was.

Inmiddels weten we beter. We hebben inmiddels de zaak Ina Post, de zaak Lucia de Berk en de zaak Spelonk op Bonaire achter de rug. Drie zaken waarbij onschuldigen tot lange gevangenisstraffen waren veroordeeld. En op het moment dat wij dit schrijven loopt de herzieningszaak van De Zes van Breda, waarin zes mensen onschuldig zijn veroordeeld voor een moord die zij niet hebben gepleegd en de herzieningszaak in verband met de moord op platenproducer Bart van der Laar in Hilversum. Meer gerechtelijke dwalingen zitten er nog aan de te komen. De lijst is te lang om hier te vermelden.

Opvallend is dat, met uitzondering van de zaak Lucia de Berk, dat in al deze zaken valse bekentenissen zijn afgelegd die tot stand zijn gekomen onder grote druk van de verhoorders. Valse bekentenissen komen dus veel vaker voor dan politie en justitie ons willen doen geloven.

Dat is trouwens al in veel meer landen gebreken. In de Verenigde Staten bestaat het zogenaamde Innocence Project. In dat project zijn er al meer dan 300 onschuldig veroordeelden inmiddels vrijgesproken. En ook daar valt het grote aantallen valse bekentenissen op. Ruim 27 procent van de onschuldig veroordeelden legde namelijk onder druk van de politie een valse bekentenis af.

België is in dat verband echter een heel bijzonder land. In dat land kennen ze geen gerechtelijke dwalingen en ook valse bekentenissen komen daar niet voor. Althans als je de autoriteiten in dat land mag geloven. Niets is natuurlijk minder waar. Vermoedelijk komen er daar zelfs meer gerechtelijk dwalingen voor dan in Nederland, alleen ontkent men gewoon het bestaan er van. Een herzieningsprocedure zoals in Nederland bestaat daar helemaal niet. Als je in België onschuldig bent veroordeeld dan kun je wel eerder vrijkomen maar dan moet je wel schuld bekennen en een verklaring tekenen dat je na je vrijlating nooit meer over de zaak zult praten.

Deze week kwamen wij in het bezit van een boek van de Belgische onderzoeksjournalist Douglas de Coninck. Hij werkt voor de Belgische krant De Morgen en houdt zich daar bezig met het onderzoeken van misstanden bij politie en justitie in België. Hij heeft daar inmiddels meerdere boeken over geschreven. Een van die boeken draagt de titel “ 14 jaar onschuldig in een Belgische gevangenis.” Het is het trieste verhaal van de Waalse broers Francis en Marco Gottschalk.

Het verhaal

Op 3 september 1992 raakten op de Rue de Voroux, een klein onverlicht binnenweggetje in de buurt van Luik, twee jongens van zeventien zwaargewond door een ongeval met hun bromfiets. Een van de jongens, Sebastiaan Welsch, overleed ter plaatse. De andere jongen, Stephen Lespineux, bleef enkele dagen in coma. Hij kon zich daarna niets meer van het gebeuren herinneren.

Onderzoek van een ongevallenexpert van de politie wees uit dat de beide jongens met op hun opgevoerde bromfietsen frontaal tegen elkaar waren gereden. Hoewel hij dat niet uitsprak vermoedde de expert dat dat beide jongens een spelletje hadden gedaan zoals dat wel vaker in die omgeving gebeurde. Jonge jongens op opgevoerde bromfietsen reden dan frontaal op elkaar af. Degene die het eerst uitweek had verloren. In dit geval was kennelijk geen van beide jongens uitgeweken met alle noodlottige gevolgen van dien. Zowel de ongevallenexpert als de schouwarts sloten betrokkenheid van een derde partij uit. De ongevallenexpert vond geen enkel spoor van contact met een ander voertuig en de schouwarts trof op het lichaam van Welsch geen enkel spoor van contact met een auto aan. Van een opzettelijk overrijden met een auto kon dus geen sprake zijn.

De nabestaanden van Sebastiaan Welsch wilden niet geloven dat hij door eigen schuld was verongelukt. Iets wat wij in ons werk ook vaak tegenkomen, nabestaanden vinden het vaak moeilijk te waarheid te accepteren. Men ging dus op zoek naar de “ dader(s)”.

In het lokale nachtleven kwamen de tongen snel los. Verschillende vrienden van Welsch wezen in de richting van een jongen die wij Sjaak zullen noemen. Deze Sjaak zou enkele dagen daarvoor zou hebben gezworen Welsch te doden na een conflict over een meisje en drugs. Na de dood van Welsch schepte hij er tegenover meerdere mensen over op dat hij de twee bromfietsers had achtervolgd met z’n auto en hun dodelijke botsing had veroorzaakt. Hij deed dat ook ten aanzien van zijn eigen familie, die dit later bevestigde aan de politie. Bijzonder was wel dat zijn verhaal steeds weer anders was.

Voor de politie hem kon ondervragen, emigreerde Sjaak naar Sicilië.

Ook de familie van Stephen Lespineux, gevoed door allerlei geruchten, had geen vrede met de conclusies van de verkeersexpert en de schouwarts.

Zijn moeder ging met hem naar een sofroloog, een soort hypnotiseur. Aanvankelijk kon Stephen zich ook daar niets herinneren van het ongeval, maar nadat deze “ deskundige” hem een beetje had geholpen kwam hij uiteindelijk met een verhaal over een auto met drie inzittenden die hem en zijn vriend hadden aangereden. Hij wist zich nu zelfs een gedeelte van een kenteken te herinneren.Een auto die aan de omschrijving voldeed, werd daadwerkelijk gevonden maar bleek geen aanrijding te hebben gehad.

Natuurlijk hoor je als politie en justitie ver te blijven van dit soort zaken maar net als soms in Nederland besloten de autoriteiten in Luik besloot toch geloof te hechten aan de sofroloog. Ineens was de dood van Sebastiaan Welsch geen ongeval meer maar moord of doodslag. De bevindingen van de verkeersexpert en de schouwarts telden dus niet meer mee.

Een jaar na zijn vlucht naar Italië keerde Sjaak terug in België. Hij werd direct aangehouden en door de politie verhoord. Aanvankelijk ontkende hij iedere betrokkenheid bij het ongeval.

Maar tijdens de verhoren hielden de verhoorders hem voor dat hij misschien wel in de betrokken auto had gezeten maar niet zelf had gereden. Na nachten lange verhoord te zijn vertelde Sjaak daarop wat de verhoorders graag wilden horen. Hij verklaarde toen dat zijn buurjongen Marco Gottschalk de auto had bestuurd, dat diens broer Francis naast hem zat. Zelf had hij achterin gezeten dus hij was niet verantwoordelijk voor hetgeen er was gebeurd. Volgens Petit was Marco zelfs meerdere keren over het lichaam van Welsch heen gereden. Ook dit verhaal was weer heel anders dan de andere verhalen die hij eerder had verteld en werd nergens door feiten ondersteund.

De dag voor het ongeval waren Sjaak en Marco Gottschalk met elkaar op de vuist geweest vanwege een vermeende diefstal van geld dus zij waren bepaald geen vrienden, mogelijk een reden voor Sjaak om de broers Gottschalk bij het verhaal te betrekken.

Aan de hand van de verklaring van Sjaak werden Marco en Francis Gottschalk door de politie aangehouden en verhoord. Beiden ontkenden hevig en wilden niet of nauwelijks aan het onderzoek meewerken. Bewijs dat er een auto bij het ongeval betrokken was ontbrak nog steeds. Maar alleen op grond van de valse verklaring van Sjaak werden beide broers voor de rechter gebracht. Het is nauwelijks voor te stellen dat dit in een beschaafd land kan gebeuren, maar het is echt gebeurd.

Pas in 1999, zeven jaar na het ongeval, kwam de politie op het idee om onderzoek te gaan doen naar een mogelijk alibi van de beide broers voor de avond van het ongeval. Dat onderzoek leidde tot niets.

Het proces tegen Sjaak en de broers Gottschalk draaide voor het assisenhof in Luik uit op een welles-nietes-spel. Sjaak wist zich omringd door een ervaren advocaat, de broers hadden al die jaren geen enkele moeite gedaan om een verdediging op te bouwen. Zij dachten veel te simpel, namelijk: Als je niks gedaan hebt, moet je toch geen kosten maken voor een advocaat en kun je niet worden veroordeeld?” Van die houding kregen zij later flink spijt.

Sjaak kreeg als gevolg van zijn valse bekentenis “ slechts” 5 jaar cel, en kwam wegens voorbeeldig gedrag in de gevangenis al na een jaar vrij. Francis en Marco Gottschalk kregen respectievelijk 15 en 20 jaar cel. Veel waarnemers, advocaten, journalisten waren van meet af aan overtuigd van een gerechtelijke dwaling, maar de broers werden snel weer vergeten. Waarom zou je je druk maken voor een paar van gewone jongens zonder geld of aanzien?

Toen onderzoeksjournalist Douglas De Coninck zich in de zaak ging verdiepen, legde hij allereerst de transcriptie van de sofrologische sessie voor aan een aantal experten. Zij veegden het allemaal van de tafel als volkomen waardeloos. Het hele verhaal van de auto en de inzittenden kon gewoon de prullenbak in. En dat paste precies bij de conclusie van de verkeersexpert. Er was helemaal geen auto betrokken bij het ongeval.

Douglas de Coninck deed vervolgens nog iets wat de politie had verzuimd. Hij probeerde uit te zoeken wat de broers Gottschalk op de avond van het ongeval hadden gedaan. Dat bleek helemaal niet zo moeilijk te zijn. De broers speelden in 1992 bij amateurvoetbalploeg OC Awans. Van elke officiële wedstrijd was een wedstrijdformulier opgemaakt en die lag nog bij de voetbalbond. Uit het wedstrijdformulier en uit verklaringen van getuigen bleek dat de beide broers de avond van het ongeval op het voetbalveld waren geweest zodat ze nooit bij het ongeval betrokken zouden kunnen zijn geweest. Maar ook dit alibi van de beide broers maakte geen indruk op de autoriteiten in België.

In België komen de meeste gedetineerden vrij na een derde tot de helft van hun straf, soms zelfs minder, zoals in het geval van Sjaak, die het destijds kennelijk op een akkoordje had gegooid met het openbaar ministerie. Om vervroegd vrij te komen, moet de verdachte blijk geven van berouw en schuldinzicht. Francis en Marco weigeren dat categorisch dus bleven ze vastzitten.

Francis verliet pas op 24 oktober 2014 de gevangenis van Namen. Hij heeft zijn straf, 15 jaar, tot de allerlaatste dag uitgezeten. Hij is wellicht de enige Belgische gedetineerde die dat ooit deed. Bij zijn vrijlating zei hij: “ Had ik werkelijk iemand gedood, dan was ik tien jaar geleden al vrij. Je kunt in België beter schuldig zijn dan onschuldig.”

Marco Gottschalk komt pas op 23 oktober 2019 vrij.

Het wordt tijd dat ook in België mensen opstaan om dit soort misstanden aan te pakken. Op dit moment lijkt het dat Douglas De Coninck alleen staat in zijn strijd tegen het door politie en justitie veroorzaakte onrecht. Dat mag niet zo blijven. Ook in België horen er geen onschuldigen in de gevangenis te zitten.

Waarom daalt het aantal aangiften ?

Door Waarheidsvinder

In tien jaar tijd is het aantal aangiften van verkrachting meer dan gehalveerd. Van 2505 in 2005 naar 1175 vorig jaar, blijkt uit cijfers van het CBS. Het aantal aangiften van aanranding is nog sterker gedaald. Tegelijkertijd is het aantal verkrachtingen en aanrandingen gelijk gebleven of zelfs gestegen, zeggen Slachtofferhulp en het Centrum Seksueel Geweld.

De politie kan geen verklaring geven voor de dalende cijfers en ook minister van Justitie Ard van der Steur weet niet wat de oorzaak is.

Wij denken dat antwoord wel te kunnen geven. Het heeft alles te maken met de enorme drempel die de politie opwerpt. Die drempel wordt voor iedereen steeds hoger omdat politiebureaus vaak verdwijnen en als ze niet verdwijnen dan kun je daar bijna niet terecht voor het doen van aangiftes. Je moet proberen een afspraak te maken voordat je eindelijk met je verhaal bij de politie terecht kunt.

Voor zedenzaken is die drempel nog eens extra hoog. Nadat je eindelijk met je verhaal bij de politie terecht kunt, kun je niet direct aangifte doen. Eerst volgt er meestal een informatief gesprek waarin de aangever of aangeefster eigenlijk wordt duidelijk gemaakt dat het verstandiger is om geen aangifte te doen. Laat de betrokkene zich daardoor niet weerhouden dan kan er pas echt aangifte worden gedaan. Vaak zijn er dan al weken verlopen. Al die tijd loopt loopt het slachtoffer met alle spanningen rond die een dergelijke feit en de daarop volgende aangifte nu eenmaal oproepen.

Een voorbeeld van een dergelijke trieste gang van zaken is de aanranding van journaliste Rosa Timmer in Groningen. Zij werd begin juni 2015 tijdens een cafébezoek in Groningen door een haar onbekende man plotseling in haar kruis gegrepen. Een schoolvoorbeeld van feitelijke aanranding der eerbaarheid en dus wilde zij aangifte doen bij de politie. Dat kon dus niet, ze kreeg eerst een informatief gesprek. Maar daar zat Rosa niet op te wachten, ze wilde aangifte doen en zei dat ook tegen de zedenrechercheurs met wie ze sprak. Vijf maal zou ze dat hebben gedaan, maar de rechercheurs bleven onverbiddelijk, eerst twee weken bedenktijd en dan pas kon ze aangifte doen.

De meeste slachtoffers nemen genoegen met een dergelijk antwoord en verlaten zwaar teleurgesteld het politie-bureau. Velen van hen komen daar ook niet meer terug. Hun vertrouwen in de politie is teveel geschaad.

Rosa Timmer behoort niet tot de groep mensen die zich ook nog eens door de politie laten slachtofferen. Zij zocht de publiciteit op en dat had gevolgen. Er werden in de politiek vragen over de zaak gesteld en Rosa kon alsnog bij de politie in Groningen aangifte doen.

Maar onderwijl werd Rosa in de media nog even door een woordvoerder van de politie Groningen voor leugenaarster uitgemaakt. Ze had het verhaal over de bedenktijd verkeerd begrepen, want dat hadden de rechercheurs nooit zo tegen haar gezegd. Alsof Rosa één of andere dombo is. Het vreemde is dat tegelijkertijd landelijk door politie en justitie werd erkend dat een dergelijk bedenktijd inderdaad in de praktijk werd gehanteerd. Wie heeft hier nu gelogen?

Maar het verhaal van Rosa is nog niet afgelopen. Toen zij uiteindelijk aangifte kon doen lieten de rechercheurs wel even weten wat zij van de door Rosa gezochte media aandacht vonden. Het verhoor van Rosa nam maar liefst 5 uur in beslag en tijdens dat verhoor werden de meest impertinente en niet relevante vragen aan haar gesteld. Vragen zoals: Wat voor een slipje droeg je? Wat voor een BH droeg je? Hoe kort was je rokje? Allemaal vragen die niets met het feit te maken hebben maar kennelijk alleen dienden om Rosa op haar plaats te zetten. Om haar te leren in het openbaar geen kritiek op de politie te hebben.

Gisterenavond vertelde Rosa nog eens haar verhaal op de televisie. Schokkend was haar opmerking dat ze niet wist waar ze het meest door geschoffeerd was; de onverwachte aanranding in het café of de door haar ondervonden behandeling van de politie Groningen. Je moet je als politieleiding toch doodschamen als een slachtoffer van een zedenmisdrijf dat over jouw korps zegt.

De vraag waarom het aantal aangiftes van zedenmisdrijven zo daalt, is dus eenvoudig te beantwoorden. Vraag het maar aan Rosa.

Noot 26-09-2015:

Hoewel er volgens de politie Groningen geen sprake was van een verplichte bedenktijd heeft ministers Van der Steur inmiddels laten weten dat die termijn moet worden afgeschaft. Een slachtoffer moet directe aangifte kunnen doen als hij of zij dat wil. Nu maar hopen dat ze bij de afdeling Zeden van de politie Groningen ook het nieuws volgen.