Skip to content

Wordt het wel allemaal beter en goedkoper?

Door Waarheidsvinder

Nog niet zo heel lang geleden was de behandeling van misdrijven voorbehouden aan de afdeling recherche. Het opnemen van een aangifte was toen nog een belangrijk onderdeel van de opsporing en de opsporing van strafbare feiten was een vak. Elke aangifte van een misdrijf werd opgenomen door een rechercheur, die probeerde in zijn aangifte veel bijzonderheden op te nemen die mogelijk konden leiden tot de opsporing van de dader. Opsporingsindicatie noemde men dat. Als je slechte aangiftes opnam zonder deze bijzonderheden, dan had je daarna een probleem. Je loste minder zaken op dan je collega’s en dat wilde niemand.

Die strikte scheiding tussen recherche en surveillancedienst was een doorn in het oog van veel mensen bij de uniformdienst en dus ook bij de politiebonden, want er waren nu eenmaal veel meer mensen bij de uniformdienst dan bij de recherche en de macht van het getal is ook bij de politiebonden leidend. En als de politiebonden iets vinden, dan vindt de leiding van de politie dat ook want je wilt geen ruzie met de bonden.

Het begon er dus mee dat de aangiftes van eenvoudige misdrijven werden opgenomen en vervolgens afgehandeld door mensen van de uniformdienst. De zaken kregen ook een andere naam, men noemde het ineens Veel Voorkomende Criminaliteit (VVC) of Kleine Criminaliteit. Uit de benaming bleek eigenlijk al dat dit soort zaken van minder belang waren.

Al snel bleek dat het opnemen van aangiftes helemaal niet zo leuk was als veel politiemensen eerder hadden gedacht. In burger lopen om boeven te vangen was misschien wel leuk, maar het “gezeur” van burgers aanhoren vonden veel politiemensen maar niets. De kwaliteit van de aangiftes liep daardoor zienderogen terug. Er kwamen daardoor steeds minder zaken met opsporingsindicaties en dus liep ook het opsporingspercentage sterk terug.

Daarvoor vond men een nieuwe ‘oplossing’. Er werden mensen aangenomen die na een verkorte opleiding uitsluitend werden belast met het opnemen van aangiftes. Burgers die dus geen enkele ervaring in opsporing hadden, maar dat maakte niets uit. De kwaliteit van de aangiftes werd weliswaar niet beter, maar het gemopper onder de mensen hield op en bovendien zouden er door deze nieuwe werkwijze meer politiemensen vrijkomen voor het opsporen. Voor het boevenvangen dus. Bijkomend voordeel was dat deze mensen veel goedkoper waren dan een politieman.

Om de politie nog efficiënter te maken, werd vervolgens besloten dat je alleen nog op afspraak aangifte kon doen. Los van het feit dat slachtoffers graag zo snel mogelijk hun verhaal kwijt willen, belangrijk voor de verwerking dus, weet iedereen die er een beetje verstand van heeft dat de herinnering van de mens bij het verlopen van de tijd bepaald niet beter wordt. Men vergeet zaken of men voegt, gevoed door informatie die men later heeft gekregen, ongewild zaken toe. De burgers raakten door het eerste punt vaak gefrustreerd en door het tweede punt werd de kwaliteit van de aangiftes nog slechter.

Er moest daarom weer iets veranderen en kwam men met het volgende ‘goede’ idee. Bij eenvoudige zaken kon de burger rechtstreeks via internet aangifte doen. Er zouden daardoor nog meer politiemensen beschikbaar komen voor het boevenvangen. De praktijk bleek weliswaar iets anders, want in de meeste gevallen gebeurde er helemaal niets met de aangiftes. Vooral ook omdat men via het internet geen opsporingsindicaties kwijt kon en/of omdat de meeste mensen niet weten welke informatie voor de opsporing belangrijk is. De burger werd echter dom gehouden, want die kreeg braaf een automatisch gegenereerd briefje thuis waaruit moest blijken dat men onderzoek had gedaan naar zijn aangifte maar dat dit onderzoek helaas niet tot de aanhouding van een dader had geleid.

Nu wil men de mogelijkheden om via internet aangifte te doen uitbreiden. Niet alleen meer bij zeer eenvoudige zaken maar ook bij ernstiger zaken moet de burger via internet zelf aangifte kunnen doen. Ook met die aangifte zal vervolgens weer niets worden gedaan, maar dat hoeft de burger niet te weten. Op papier klopt het en daar gaat het maar om.

Binnen enkel tientallen jaren is de situatie ten aanzien van het opnemen van aangiftes van strafbare feiten volkomen veranderd. In plaats van het doen van aangifte bij een ter zake deskundige rechercheur, die ook verantwoordelijk was voor de oplossing van het feit, werd het aangifte doen bij iedere willekeurige politieman of vrouw, kundig of niet kundig, om vervolgens via burgers met een verkorte opleiding te komen tot het zelf opmaken van de aangiftes door de burger.

Van vakwerk dus naar een vorm van huisvlijt. Waar dat toe zal leiden, kan een kind begrijpen.

Geen vertrouwen in processen-verbaal

Door Waarheidsvinder

We schreven hier al vaker; de betrouwbaarheid van de door de politie opgemaakte processen-verbaal laat helaas vaak te wensen over. Dat processen-verbaal vaak niet deugen, hebben we niet verzonnen, deze kennis is het resultaat van de vele onderzoeken die wij inmiddels hebben gedaan. Bij iedere gerechtelijke dwaling heeft de politie een loopje met de waarheid genomen. Dat moest ook wel, want anders kun je een onschuldige niet veroordeeld krijgen. Maar ook bij andere onderzoeken komen we vaak tegen dat het proces-verbaal de feiten niet juist weergeeft. Voorbeelden genoeg op onze site.

Vandaag blijkt uit een onderzoek van ThePostOnline onder 100 Nederlandse strafrechtadvocaten dat driekwart van hen de betrouwbaarheid van processen-verbaal een groot probleem noemt. Wij staan kennelijk niet alleen in onze kritiek. Advocaten zeggen dat het gaat van onbewuste foutjes tot moedwillige vervalsingen. Als oorzaken noemen zij scoringsdrift, tijdsdruk, tunnelvisie en een gebrek aan taal- en schrijfvaardigheid.

Bart Nooitgedagt, voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten, zegt dat deze cijfers hem niet verbazen. Verklaringen van getuigen en verdachten zouden maar zelden letterlijk worden weergegeven. “Relevante delen ontbreken of worden ingevuld door verbalisanten. Zij selecteren vaak wat zij zelf relevant vinden, waardoor soms cruciale informatie ontbreekt.”

Gerrit van de Kamp, de voorzitter van de politievakbond AC, zegt het probleem te herkennen. Hij erkent dat er fouten worden gemaakt. Volgens hem zijn de fouten echter te wijten aan bezuinigingen en veranderende regels en wetten.

Hier spreekt de de ware bondsvoorzitter, het is altijd de schuld van een ander en nooit van de mensen zelf. Wat een ongelooflijke onzin. Leugens in een proces-verbaal ontstaan omdat politiemensen graag willen scoren en daarom datgene opschrijven wat hen het beste past. Liegen in een proces-verbaal is overigens geen fout, maar een strafbaar feit. Een feit dat consequenties voor de betrokken ambtenaren zou moeten hebben.

Ton Derksen, wetenschapsfilosoof en docent waarheidsvinding aan de Politie Academie heeft het ook over fouten, alsof je per ongeluk liegt in een proces-verbaal. Als er fouten worden gemaakt is het volgens hem hoe dan ook aan het Openbaar Ministerie en de rechter om daar doorheen te prikken. Dit klinkt leuk, maar hoe moet je als rechter weten dat een politieman in zijn proces-verbaal heeft gelogen? Daar kun je alleen achter komen als je alle processen-verbaal gaat controleren en dat is ondoenlijk.

We moeten de waarheid onder ogen zien, veel processen-verbaal deugen niet. Soms zijn het inderdaad slechte processen-verbaal, maar te vaak wordt er keihard gelogen. Onbetrouwbare processen-verbaal zijn een groot gevaar voor de rechtsstaat. Er moet daarom keihard worden opgetreden tegen die politiemensen die in hun proces-verbaal bewust de waarheid verdraaien.

De burger heeft recht op een betrouwbare politie.

Noot 8 december

Hoe groot het probleem met de betrouwbaarheid van processen-verbaal is opnieuw gebleken zo blijkt uit onderstaand artikel uit het AD.

Een 51-jarige vrouw uit Heusden is ten onrechte vervolgd voor het vernielen van een auto door fouten in een proces-verbaal dat een agente maakte. De informatie werd bewust verkeerd opgeschreven door de agente, concludeerde de politierechter in Den Bosch maandag. De verdachte vrouw werd daarom maandag van alle blaam gezuiverd.
De vrouw werd begin dit jaar opgepakt nadat in de Brabantse plaats veel auto’s waren bekrast. Volgens het gewraakte proces-verbaal was op camerabeelden te zien dat ze als enige dicht bij een bekraste auto was geweest. ,,Het is aannemelijk dat deze vrouw de schade heeft veroorzaakt aan dit voertuig”, verbaliseerde de agente.

Advocaat Tom Deckwitz vertelde maandag dat hij na lang aandringen de beelden te zien kreeg. Hij ontdekte dat er meer personen in de buurt van de auto zijn geweest. De rechter concludeert dat de agente ten onrechte heeft geschreven dat ze de beelden helemaal heeft bekeken of bewust heeft verzwegen dat er nog twee personen bij de auto zijn geweest.

De advocaat denkt dat de politie koste wat kost een dader wilde vinden voor de autovernielingen en dat er daarom een tunnelvisie is ontstaan. De politie kon maandag nog niets zeggen over eventuele maatregelen tegen de betrokken agente.

Ons lijkt het duidelijk; deze agente is ongeschikt voor het vak van politieagente. Want welke excuus ze ook gebruikt, in beide gevallen heeft ze gelogen.

 

Klassiek recherchewerk

Door Waarheidsvinder

De politie is er in geslaagd de man aan te houden die al lange tijd probeerde televisieproducent John de Mol te bewegen tot de betaling van een groot geldbedrag. De zaak liep al meer dan een jaar en had grote gevolgen voor de familie. Je weet immers nooit of en wanneer iemand zal toeslaan. Gelukkig is de zaak goed afgelopen.

Maar hoe is de politie eigenlijk aan de dader gekomen? Dankzij allerlei nieuwe technieken of ingewikkelde opsporingsmethoden? Politiewoordvoerder Bernard Jens heeft dat voor de camera duidelijk uitgelegd. De politie had de dader gevonden “na lang en klassiek recherchewerk”. Ook Peter R.de Vries had het over klassiek recherchewerk toen hij sprak over de opsporing van de verdachte. Dat beiden de nadruk leggen op de term “klassiek recherchewerk” geeft aan dat “klassiek recherchewerk” heel bijzonder is en kennelijk niet vaak meer voorkomt.

Toen één van uw redacteuren 40 jaar geleden bij de recherche begon, was dit eigenlijk de enige manier om zaken op te lossen en toen vond men dat helemaal niet bijzonder, dat was gewoon het werk van de politie. Gewoon de feiten onderzoeken, getuigen horen, lange dagen maken en je hersens gebruiken. Eigenlijk dat doen waarvoor je wordt betaald.

Klassiek recherchewerk. Misschien dat we het woord ‘klassiek’ moeten vervangen en het alledaags recherchewerk noemen. Want goed recherchewerk is alledaags en zou normaal moeten zijn. En hoort niet anders genoemd te worden in publicitair gevoelige zaken.

Verkeerde prioriteiten of gebrek aan kwaliteit?

Door Waarheidsvinder

Gisteravond liet een rapportage van Zembla zien dat politie en justitie 2 jaar niets hebben gedaan, na een melding van de Noorse autoriteiten in maart 2012 dat er vanaf een bungalowpark in Nederland via de computer meisjes werden bedreigd en gedwongen tot verregaande seksuele handelingen voor de webcam. Een van de slachtoffers was een Noors meisje dat bij de politie aangifte had gedaan. Op zich al een grote stap voor een slachtoffer, want schaamte speelt vaak een rol bij dit soort zaken en dat weten de daders ook.

Ondanks een rechtshulpverzoek van de Noorse autoriteiten ondernamen politie en justitie in Nederland geen enkele actie in de richting van de verdachte. Men zocht wel uit van wie het gebruikte IP-adres was en welk e-mailadres daarbij hoorde, maar de door de Noren gevraagde huiszoeking kwam er niet. Er gebeurde helemaal niets en de dader kon doorgaan met zijn activiteiten en nieuwe slachtoffers maken. Er werd pas actie ondernomen nadat de afdeling Security van Facebook een onderzoek had ingesteld en de resultaten daarvan in september 2013 doorgaf aan de Nederlandse autoriteiten. Ook zij wezen naar iemand in Nederland.

Dat onderzoek van Facebook was er gekomen na de dood van de 15 jarige Canadese Amanda Todd. Amanda pleegde zelfmoord nadat seksueel getinte afbeeldingen van haar op grote schaal via het internet waren verspreid, nadat zij geweigerd had seksuele activiteiten voor de webcam uit te voeren. Haar dood leidde tot grote commotie in Canada en de rest van de wereld en daarom konden politie en justitie nu niet meer om de zaak heen. Het onderzoek dat door politie en justitie wordt ingesteld leidt begin 2014 uiteindelijk tot de aanhouding van Aydin C. en hij bleek ook dat verdachte in de Noorse zaak te zijn.

Gisteren was een zitting in de rechtszaak tegen Aydin C. De officier van justitie in deze zaak reageerde vast op de komende rapportage van Zembla en liet weten dat politie en justitie in deze zaak niets te verwijten viel. Volgens haar was het destijds zoeken naar een speld in een hooiberg omdat de verdachte steeds van identiteit en adres wisselde en het door hem gebruikte huisje onder een valse naam huurde. Deze uitspraak doet vermoeden dat politie en justitie destijds na het verzoek van de Noren wel een poging hebben gedaan de verdachte te vinden, maar dat men hem niet had kunnen vinden. Dat is echter niet het geval. Men heeft in 2012 geen enkele actie ondernomen, ook niet nadat ook in Nederland nieuwe slachtoffers zich hadden gemeld.

Had men dat wel gedaan, en één rechercheur had dat kunnen doen, dan had een gesprek met de beheerder van het park opgeleverd dat er een in bepaald huisje een alleenstaande man had verbleven ten tijde van de contacten met het meisje in Noorwegen. Simpel onderzoek had vervolgens opgeleverd dat de betreffende man daar onder een valse naam had verbleven. Bij de beheerder van het park was echter een kopie van het valse paspoort van de man aanwezig en dat valse paspoort was voorzien van een goed gelijkende foto van de onbekende man. Met die foto had men kunnen gaan rechercheren en mogelijk had men dan ontdekt dat de man onder zijn echte naam werd gezocht door de politie in Rotterdam. Een normale werkwijze die ook nu nog veelvuldig wordt gebruikt.

In de reportage van Zembla kwam een andere officier van justitie met een ander excuus. Volgens hem had de zaak waarschijnlijk niet voldoende prioriteit gehad en waren er mogelijk andere zaken geweest die belangrijker waren. Politie en justitie kunnen volgens hem nu eenmaal niet alle zaken onderzoeken.

Los van het feit dat deze uitspraak duidelijk maakt dat de betreffende officier van justitie niets van de ernst van dit soort zaken begrijpt, spreekt hij zijn collega ook tegen.

De ene officier heeft het dus over prioriteiten en de ander zegt dat het om een speld in een hooiberg ging. Het feit dat er nu al 2 verschillende versies van justitie in omloop zijn zegt genoeg. Men verzint van alles in een poging zichzelf en de politie vrij te pleiten.

Justitie zegt ook dat het wel heel gemakkelijk is nu kritiek te hebben en heeft het over wijsheden achteraf. Wij denken dat dit onzin is. De in 2012 bekende feiten waren ernstig genoeg voor een serieus politieonderzoek. Dat men dit heeft nagelaten zegt alles over de kwaliteit van de aanpak van dit soort zaken.

Gebrek aan kennis bij de politie is vaak een veel groter probleem dan gebrek aan mensen en dat is pas echt zorgelijk.

Nader onderzoek naar moord op Bart van der Laar

Door Waarheidsvinder

Soms vraag je je af in wat voor een land we leven. Als er één zaak is waarbij zelfs een blinde op honderd meter afstand kan zien dat de verdachte onschuldig is veroordeeld dan is het wel bij de veroordeling van Martien Hunnik voor de moord op platenproducer Bart van der Laar in 1981 in Hilversum. Maar de dames en heren van de Hoge Raad willen dat kennelijk niet zien, gezien het zojuist uitgebrachte persbericht;

De Hoge Raad later nader onderzoek doen in de zogenaamde showbizzmoord voordat hij beslist over een eventuele herziening in deze zaak. Dit onderzoek richt  zich op de vraag of de veroordeelde Martien  Hunnik  tijdens het politieonderzoek en bij de behandeling van zijn zaak door rechtbank en hof leed aan een ziekelijke stoornis en/of een geestelijk gebrekkige ontwikkeling. Een tweede te beantwoorden vraag is onder meer of deze eventuele stoornis/gebrekkige ontwikkeling  het gedrag en zijn keuzemogelijkheden daarin  destijds  heeft kunnen beïnvloeden en zo ja, hoe en in welke mate.

De Hoge Raad wijst een raadsheer uit zijn midden aan als raadsheer-commissaris die het onderzoek zal leiden.

Het hof in Amsterdam veroordeelde Hunnik op 16 augustus 1984  tot twee jaar gevangenisstraf en tbr voor doodslag op de platenproducer Bart van de Laar. Van de Laar werd op 10 november 1981 met een schotwond in z’n hoofd aangetroffen in zijn woning in Hilversum en overleed hieraan drie dagen later.
Hunnik bracht bijna acht jaar in detentie en behandeling door.
 
Aanvragen tot herziening zijn gedaan door de advocaat-generaal Aben en door de raadslieden Knoops en Vosman van de betrokkene. Aben vorderde herziening in deze zaak op basis van de uitkomsten van een feitenonderzoek dat hij liet uitvoeren. Uit zijn onderzoek bleek hem dat Hunnik als de dader kon worden aangemerkt  uitsluitend op basis van mededelingen en bekentenissen van Hunnik zelf. Dit nieuwe feitenonderzoek leverde volgens hem geen bevestiging op van deze bekentenissen, terwijl de twijfels over het waarheidsgehalte van de bekentenissen zijn vergroot op basis van nieuwe getuigenverklaringen.
 —
 Tot zover dit persbericht van de Hoge Raad.
 —
Steeds weer blijkt dat de waarheid slechts een ondergeschikte rol speelt bij herzieningszaak. De waarheid is dat de veroordeling van Martien Hunnik het gevolg is van een dramatisch slecht politieonderzoek onder leiding van een officier van justitie die dat allemaal kennelijk prima vond gevolg door uitspraken van diep slapende rechters.
Het lijkt er op dat de Hoge Raad Martien Hunnik alleen wil vrijspreken als men de schuld geheel bij hemzelf kan leggen. Hij heeft immers bekend. Dat die bekentenis  afgedwongen was en niet kan kloppen met de feiten speelt voor de Hoge Raad kennelijk geen rol. De bescherming van het imago van politie en justitie blijft kennelijk het belangrijkste.
Onderwijl mag Martien Hunnik nog even wachten op gerechtigheid. Maar ach dat doet hij al meer dan 30 jaar.

Praatjes vullen geen gaatjes

Door Waarheidsvinder

In het verleden werden de contacten tussen politie en media nog verzorgd door politiemensen. Ervaren politiemensen die meestal in gewoon Nederlands konden vertellen wat er aan de hand was. Maar omdat het mensen van de praktijk waren, vertelden ze soms dingen die niet een positief beeld gaven van de politie. Dat moest natuurlijk anders.

Er kwamen daarom professionele goedbetaalde voorlichters. Eerst waren ze gewoon in burger gekleed, maar later kregen ze een uniform aangemeten. Het publiek moest kennelijk denken dat het om echte politiemensen ging. De meeste politievoorlichters hebben echter geen enkele politie-ervaring. Veelal hebben zij net zoveel verstand van politiewerk als een olifant van sneeuwballen gooien. Maar dat is kennelijk geen probleem. Hun enige taak bestaat immers uit het zoet houden van de media en het verkopen van het product politie aan het grote publiek. En zoals bij veel verkopers, speelt ook bij hen de waarheid niet of nauwelijks een rol.

De laatste tijd zijn er enkele zaken in de publiciteit gekomen waarbij de nabestaanden twijfels hebben aan informatie die zij van de politie en/of justitie hebben gekregen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om zaken waarbij de politie uitgaat van zelfdoding en de nabestaanden aan een misdrijf denken. Wij hebben inmiddels meerdere soortgelijke zaken onderzocht. Soms hadden de nabestaanden naar onze mening gelijk in hun kritiek op de politie en soms bleek die kritiek niet terecht te zijn. In bijna alle gevallen die wij hebben onderzocht kwam de kritiek van de nabestaanden ook voort uit het feit dat de contacten met de politie niet goed waren verlopen. Men kreeg vaak te weinig informatie of de informatie was niet correct. En met name dat laatste is een doodzonde. Als je als politie, maar ook als justitie, iets aan mensen uitlegt, dan moeten mensen er van op aan kunnen dat het de waarheid is. Zeker als het gaat om zulke ernstige zaken als de dood van een geliefde.

Wanneer mensen ons om hulp vragen, krijgen ook wij vaak nauwelijks of geen medewerking van politie of justitie. Privacy is dan meestal het argument, maar wij hebben sterk de indruk dat men vooral bang is dat wij zullen ontdekken dat er zaken zijn misgegaan. Er zijn echter gevallen geweest waarbij het anders ging. Een van uw redacteuren werd door nabestaanden gevraagd onderzoek te doen naar de dood van een familielid dat zich volgens de politie zelf van het leven had beroofd. De zaak speelde al jaren en voor een echte verwerking van de dood van het familielid was nog steeds geen ruimte geweest. De familie kon namelijk niet geloven dat er sprake was van zelfdoding en het verhaal dat ze vertelden leek hen daarin gelijk te geven.

Maar met verhalen alleen kun je als onderzoekers niet veel, om echt iets te kunnen zeggen over een politieonderzoek moet je de beschikking hebben over het politiedossier. Meestal weigert de politie inzage in het dossier maar in dit geval kreeg de familie echter wel toestemming van de politie om samen met één van uw redacteuren het dossier te komen inzien. Een duidelijk uitzondering op de regel dus.

Na bestudering van het dossier kon uw redacteur, die samen met een zoon van de overledene naar de politie was gegaan, maar tot één conclusie komen; de politie had goed werk gedaan en alles wees inderdaad op zelfdoding. Eindelijk kreeg de familie nu antwoord op bijna al hun vragen en kon de verwerking van het overlijden echt beginnen.

Onze ervaring is dan ook dat openheid van zaken, gegeven door ter zake deskundige politiemensen veel problemen kan voorkomen. Laat nabestaanden, eventuele samen met een door hen gekozen deskundige, naar het politiebureau komen. Geef ze indien enigszins mogelijk inzage in het dossier en geef ze eerlijk antwoord op de vragen die ze hebben.

Natuurlijk zijn daarmee niet altijd alle problemen opgelost. Soms is er gewoon te weinig informatie en soms kunnen nabestaanden de waarheid niet aan. Maar alles is beter dan een loopje nemen met de waarheid en het achterhouden van relevante informatie. De meeste mensen hebben het wel door wanneer ze niet serieus worden genomen.

Weg dus met dik betaalde mooi pratende voorlichters, want om de waarheid te vertellen heb je geen voorlichters nodig. De waarheid kan immers iedereen vertellen. Alleen wanneer je de waarheid wilt verhullen omdat die mogelijk nadelig voor het beeld naar buiten kan zijn, dan heb je voorlichters nodig. Althans men noemt ze voorlichters, eigenlijk gaat het gewoon om mooipraters. Voor hen maakt het geen verschil of ze over wasmiddelen praten of over de politie.

Reclame is immers reclame.

 

Gestolen auto’s belangrijker dan verdwenen mensen?

Door Waarheidsvinder

Al jarenlang betogen wij dat er in Nederland structureel iets mis is met de aanpak van vermissingen.

Vaak te gemakkelijk nam de politie aan dat iemand vrijwillig verdwenen was of zelfmoord had gepleegd. Een sprekend voorbeeld daarvan is bijvoorbeeld de verdwijning van Joanne Noordink uit Aalten in 2009. Voor ons vanaf het begin duidelijk dat het om een misdrijf ging. Toch durfde een politiewoordvoerder een maand na haar verdwijning nog te beweren dat ze zeer waarschijnlijk zelfmoord had gepleegd. Pas nadat Telegraafjournaliste Jolande van der Graaf in een groot artikel had gewezen op de onzin van de opmerking van de woordvoerder, kwam er plotseling een gedegen politieonderzoek dat leidde tot de aanhouding van de moordenaar en het vinden van het lichaam van Joanna in de tuin van de moordenaar.

Ook in de zaak van de verdwijning van de 12-jarige Milly Boele uit Dordrecht in 2010 ging veel mis. Vanaf het eerste moment was het duidelijk dat het om een misdrijf moest gaan en dat de dader waarschijnlijk dichtbij zou wonen. De politie ging echter flyers verspreiden alsof Milly was weggelopen.

Pas nadat journaliste Jolande van der Graaf een groot artikel had gepubliceerd over de zaak en daarin had verwezen naar een mogelijke dader, meldde die zich vrijwillig bij de politie en werd het lichaam van Milly in de tuin van zijn woning gevonden.

Toen één van uw redacteuren in het programma van Pauw en Witteman zich zeer kritisch uitliet over de politieaanpak van deze zaak vond de voorzitter van de christelijke politiebond (ACP) nog steeds dat de politie niets te verwijten viel. Hoe mis hij daarmee zat, bleek uit een onderzoek dat later werd ingesteld. De kritiek op de politie was niet mals en de aanpak van vermissingszaken ging op de schop.

Maar nu blijkt dat er niet alleen iets mis is met de aanpak van vermissingszaken, maar ook de registratie daarvan blijkt een puinhoop te zijn.

Vandaag staat in De Telegraaf een groot artikel over dit probleem. De registratie was dermate slecht dat er anderhalf jaar onderzoek voor nodig was om de cijfers boven tafel te krijgen. Volgens de onderzoekers zijn er de afgelopen tientallen jaren zeker 1500 tot 2000 Nederlanders onder verdachte omstandigheden verdwenen en nooit teruggevonden.

Het meest schokkende is echter dat de politie sinds 1946 niet eens een landelijk overzicht van de vermissingen blijkt te hebben bijgehouden. In dezelfde periode was er wel een lijst van gestolen auto’s, kennelijk vond men dat belangrijker dan vermiste mensen. Je moet het maar bedenken.

Een dramatisch voorbeeld van dit gebrek aan een goede registratie zagen wij bijvoorbeeld in de zaak van scheepskok Wim Quak. Hij verdween op 21 juni 1991 op zee vanaf een Nederlandse schip in de buurt van Ierland. In 1998 bleek dat Wim Quak in Nederland niet als vermist te boek stond. Enig onderzoek naar zijn verdwijning had dan ook nooit plaatsgevonden.

Hopelijk zijn de verantwoordelijke personen bij politie en justitie nu wakker geschud en begrijpt men ook daar dat vermiste mensen belangrijker zijn dan gestolen auto’s.

Vergissen is menselijk

Door Waarheidsvinder

Dankzij een trouwe lezer van onze site kwamen wij onlangs in het bezit van een artikel in de Volkskrant van 25 oktober j.l. Onder de titel ‘Vergissen is vreselijk’ werd daarin een interview gepubliceerd met de twee mensen die nu de ACAS (Advies Commissie Afgedane Strafzaken) bemannen, namelijk mr. J.W. Fokkens (oud AG) en prof.dr. C. Fijnaut (oud-hoogleraar Criminologie).

Hoewel wij uit de werkzaamheden van deze commissie de indruk hadden dat er nu kennelijk serieuzer naar kritiek op afgedane strafzaken wordt gekeken dan vroeger (toen er nog geen commissie was) bleek ons uit dit artikel dat er nog steeds beschermend gedacht wordt naar mogelijke fouten begaan door politie en/of justitie. Twee voorbeelden.

Voorbeeld 1.

Aan het eind van het artikel wordt geopperd dat het feit dat in het verleden meerdere revisieverzoeken werden afgewezen, terwijl later bleek dat het toch om gerechtelijke dwalingen ging dat dit ook aan de advocaten zou kunnen hebben gelegen. Het feit dat verzoeken van advocaten, om inzage in bepaald materiaal te krijgen, werden afgewezen op grond van privacy-argumenten werd afgedaan dat men dan een rechtszaak had moeten beginnen.

Wanneer men stelt dat vergissen vreselijk is, lijkt dit ons een vreemde, maar uit het verleden ook altijd gebruikte, reactie. Wanneer men vindt dat het mogelijk is dat er sprake is van een gerechtelijke dwaling en dit wil rechtzetten, moet men zich niet achter juridische regels gaan verschuilen om blokkades die worden opgelegd goed te praten. Doch dient men te onderzoeken hoe men binnen de bestaande regels de fout ongedaan kan maken.

Naast de advocaten wordt de zwarte piet ook toegespeeld naar de politie. Elke gerechtelijke dwaling begint met een slecht politieverhoor, zo is de stelling van de heren. Hierover twee opmerkingen.

  1. Naar onze mening is een slecht verhoor het gevolg van een slecht onderzoek, doordat de politie zich meestal laat leiden door hun overtuiging en niet door de feiten.
  2. Er wordt hiermee gesuggereerd dat het OM en de rechtbank hun werk wel goed hebben gedaan. Zeker het OM, als leider van het onderzoek, treft evenveel blaam als de politie. De rechter is weliswaar afhankelijk van wat en hoe de zaak wordt ingediend, maar de ervaring leert dat in de meeste gerechtelijke dwalingen de rechter te goedgelovig is geweest.

Voorbeeld 2

Hierop willen we uitgebreider ingaan, omdat het een zaak betreft die ons beider, omdat wij gewezen hebben op de fouten in die zaak, de kop heeft gekost. De Schiedammer Parkmoord, dus. Het gaat ons om de volgende passage:

Fokkens: Ik herinner me dat de officier van justitie na de dwaling in de Schiedammer parkmoord in een interview zei: wij hebben geen fouten gemaakt. Dat vond ik een ongelukkige uitlating, maar ik begreep wel wat hij bedoelde, namelijk: wij konden met de informatie die wij hadden niet zien dat het anders was. Wij moeten soms hele ingewikkelde afwegingen maken in hele complexe zaken, en soms vergis je je. Maar dat is geen reden om te zeggen dat je dus niet geschikt bent voor je werk en dus maar weg moet.”

Omdat het NFI en het OM nog steeds doen alsof er met het DNA-onderzoek niet geknoeid is, volgt hier een uitgebreid verslag van hoe de behandeling van het DNA-onderzoek destijds, dus voordat het OM een vervolging instelde tegen de eerste verdachte in deze zaak, is verlopen. Onze informatie kwam destijds van de NFI-onderzoeker die dit onderzoek had uitgevoerd (Richard Eikelenboom) en is bevestigd door andere interne en externe bronnen.

Op het lichaam van Nienke Kleiss, het 10-jarig meisje dat het misdrijf niet overleefde, werden op zeven plaatsen DNA-sporen aangetroffen. Het betrof in alle gevallen een mengprofiel van tenminste drie mensen. Beide slachtoffers en een onbekende derde. Van de verdachte was al DNA afgenomen, van hem was dat DNA in ieder geval niet. Bovendien gold dat alle aangetroffen sporen van één man konden zijn.

De conclusie van het NFI was dan ook dat de verdachte niet de dader kon zijn. Dit werd in eerste instantie telefonisch aan de officier van justitie en/of de teamleider van het onderzoek doorgegeven. Nadat men op het NFI bemerkte dat men de verdachte toch wilde voorbrengen, heeft men de officier van justitie in deze zaak uitgenodigd op het NFI om haar uit te leggen wat zij gevonden hadden. Een dergelijk gesprek had nog nooit eerder plaatsgevonden en dat gaf aan hoe zeer men zich op het NFI zorgen maakte over de fout die er aan zat te komen.

In een vergadering werd aan de officier uitgelegd wat de resultaten van hun onderzoek betekende, namelijk; de verdachte kan niet de dader zijn. Kennelijk was de officier daarvan niet onder de indruk, want zij vroeg het NFI een rapport te schrijven waarmee de verdediging niet aan de haal kon gaan.

Men zou dan verwachten dat het NFI, als onafhankelijk forensisch onderzoeksbureau, naar waarheid een rapport zou opmaken. Dit is echter niet gebeurd. De rapporteur (Ate Kloosterman) schreef dat er zeven mengprofielen waren aangetroffen, waarvan er twee wel en vijf niet geschikt waren om conclusies aan te verbinden. Ten aanzien van de twee goedgekeurde sporen werd vermeld dat daarop geen DNA van de verdachte was aangetroffen.

Volgens onderzoeker Richard Eikelenboom was er geen inhoudelijke reden voor deze tweedeling. Onder de afgekeurde sporen waren sporen die duidelijk beter waren dan de goedgekeurde. De twee sporen die wel werd goedgekeurd waren een spoor op haar haarband en en een spoor op een laars van haar. De vijf sporen die werden afgekeurd waren drie sporen op de veter waarmee zij werd gewurgd, een spoor op haar blote schouder en een spoor op haar blote buik.

Op vragen van de rechtbank legde Kloosterman vervolgens uit dat het feit dat er op de twee goedgekeurde sporen geen DNA van de verdachte zat hem niet uitsloot als dader, want deze sporen zouden ook voor het delict op haar terecht kunnen zijn gekomen. Hij meldde niet dat er in de vijf afgekeurde sporen ook geen DNA van de verdachte was aangetroffen. Gezien de plekken waarop dit DNA was aangetroffen, moesten dit wel dadersporen zijn. En is duidelijk geworden waarom Kloosterman de sporen op deze manier heeft ingedeeld.

Overigens gelden de argumenten om sporen af te keuren alleen voor de gevallen waarin men zeker wil weten of het DNA van een bepaalde persoon is. Voor een positieve identificatie heeft men minstens twaalf (anderen gebruiken een grens van zestien) DNA-kenmerken van een persoon nodig, voor een negatieve identificatie kan men aan één DNA-kenmerk genoeg hebben.

Op basis van deze misinformatie, waarom de officier van justitie had gevraagd, kon de rechtbank zonder gewetenswroeging de verdachte veroordelen tot 18,5 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging.

Een herhaling van zetten vond plaats nadat de zaak van de veroordeelde in hoger beroep werd behandeld. Toen werd de AG van de zaak uitgenodigd. Zij meldde wel, nadat ze dezelfde informatie had gekregen, dat dit voor haar betekende dat ze de zaak niet zou laten behandelen. Kennelijk is zij hierop teruggekomen of -gefloten, want tijdens de behandeling meldde zij dat zij geen enkel twijfel had over de schuld van de dader.

Overbodig wellicht om nog uit te leggen waarom deze zinsnede bij ons in het verkeerde keelgat terecht kwam. Hoezo kon men met de informatie van toen niet zien dat het anders was? Hier was geen sprake van vergissen, hier was sprake van met opzet misleiden van de rechtbank. Waaraan het OM willens en wetens heeft meegewerkt. En daarmee wel degelijk een reden om je af te vragen hoe zoiets heeft kunnen gebeuren. Kennelijk waren politie en OM in dermate overtuigd van hun gelijk in deze zaak dat de feiten er niet meer toe deden. Ook het feit dat het tweede slachtoffer, die het delict wel heeft overleefd, een beschrijving van de dader heeft gegeven die in de verste verte niet paste bij hun verdachte is weggeredeneerd. En het feit dat de eerste verdachte in feite een alibi had op het moment dat het misdrijf werd gepleegd, speelde voor politie en OM kennelijk ook geen rol.

Het lijkt ons belangrijker dat men, ter voorkoming van nieuwe gerechtelijke dwalingen, zich afvraagt hoe men een dergelijke blindheid voor feiten kan voorkomen dan verklaringen te bedenken waarom het juridisch normaal is dat gerechtelijke dwalingen zijn voorgekomen.

Wij denken dat de gemaakte fouten puur menselijk zijn. Het is vrijwel voor niemand onvermijdbaar dat de eigen overtuiging een belangrijker meetinstrument wordt dan de zwaarte van de feiten. En daarom hebben wij het over menselijke fouten. Maar als men zo ver gaat dat men opzettelijk feiten achterhoudt, dan zijn het geen vergissingen enzijn nietsontziende maatregelen tegen de veroorzakers ervan op zijn plaats.

Ontslag dus.

Dubbele moraal?

Door Waarheidsvinder

Afgelopen zondagavond zond SBS 6 een documentaire uit over het onderzoek naar de moord op Henk Opentij en Mary Run in 1997 in Amsterdam. Een gruwelijke zaak en het is goed dat deze zaak uiteindelijk is opgelost. In de documentaire werd uiteraard de nadruk gelegd op het goede speurwerk van politie en justitie in deze zaak. De gemaakte fouten, zoals het aanhouden van onschuldigen, werd natuurlijk niet of nauwelijks aangeroerd..

In het programma waren ook beelden te zien van de verhoren van de beide verdachten. Dat justitie beelden van politieverhoren aan een televisiezender heeft verstrekt, is volgens de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten (NVSA) onrechtmatig. De advocatenorganisatie heeft dit bezwaar in een brief kenbaar gemaakt aan de top van het Openbaar Ministerie, zei voorzitter Bart Nooitgedagt.

Het verhoor van verdachten in dit soort grote zaken wordt tegenwoordig opgenomen en vastgelegd. Dat dit gebeurt is een erfenis uit het verleden. Regelmatig kwam namelijk tijdens rechtszittingen naar voren dat er twijfels waren aan de manier waarop de politieverhoren waren verlopen en de manier waarop het verhoor op papier was gezet. Door het audiovisueel vastleggen van de verhoren kunnen de rechters inzicht krijgen in het verloop van de verhoren. Het moet de kans op gerechtelijke dwalingen kleiner maken.

De beelden zijn er niet om deze aan de media te verstrekken. Advocaten betogen naar onze mening terecht dat op deze manier de privacy van de verdachten ernstig wordt aangetast. Kennelijk vinden politie en justitie dit niet. En ook de kortgedingrechter vond het uitzenden van de beelden van het verhoor geen probleem.

Wat in deze zaak is gebeurd, hebben we al vaker gezien. Als het politie en justitie goed uitkomt dan is het schenden van de privacy kennelijk nooit een probleem. We zagen in het verleden op TV bijvoorbeeld een verhoor van een moeder die van moord op haar beide kinderen werd verdacht en ook een volledig verslag van het onderzoek van het zogenaamde 3D team in de zaak Vaatstra.

Wij houden ons al ruim 10 jaar bezig met het onderzoeken van gerechtelijke dwalingen en andere zaken waarbij politie en justitie in de fout lijken te zijn gegaan. Als wij, of de advocaten met wie wij samenwerken, om een dossier vragen dan wordt dat vaak geweigerd onder het mom van de bescherming van de privacy. Kennelijk geld privacy alleen voor die zaken die politie en justitie liever niet in de openbaarheid hebben.

Wij hebben op zich geen moeite met het uitzenden van beelden van een politieverhoor, hoewel dat, zoals we al schreven, niet de bedoeling is van die beelden. En zeker niet zou mogen gebeuren zonder toestemming van de mensen die erop als verdachte in beeld te zien zijn.

Waar we wel moeite mee hebben is het feit dat politie en justitie kennelijk onderscheid maken tussen zaken waarmee men wil of kan scoren en zaken waarbij het mogelijk is misgegaan. Dat kan volgens ons niet.

Ook bij zaken waarbij er fouten zijn gemaakt door politie en/of justitie dient men dezelfde openheid te betrachten. Zich verschuilen achter het begrip privacy is dan te gemakkelijk.

Steeds meer moorden niet ontdekt ?

Door Waarheidsvinder

De kwaliteit van de gerechtelijke secties in Nederland staat al jaren ter discussie. Regelmatig worden ook door deskundigen grote vraagtekens gezet bij de kwaliteit van de pathologen die in dienst zijn van het NFI. We kennen zelf voldoende zaken waarbij de uitslag van de sectie zodanig was dat er buiten het NFI niemand was te vinden die het oordeel van de patholoog deelde.

Maar naast de kwaliteit van de uitgevoerde secties is er, zo blijkt uit een artikel in De Telegraaf van vandaag, nu ook een probleem met de kwantiteit. In gewoon Nederlands betekent dit dat er steeds minder gerechtelijke secties in Nederland plaatsvinden, niet omdat er steeds minder zaken zijn die in aanmerking komen voor een sectie maar omdat er moet worden bezuinigd. Volgens De Telegraaf is het aantal door justitie aangevraagde autopsies is de afgelopen jaren bijna gehalveerd.

Geschat wordt dat er per jaar minimaal 5000 niet-natuurlijk overlijdens zijn en in nog geen 300 gevallen daarvan volgt er een sectie. Het getal van 5000 is trouwens niet eens een hard getal, want niemand weet hoeveel overlijdens er jaarlijks ten onrechte als natuurlijk of als ongeval worden bestempeld. Een rapportage in Brandpunt liet immers recent zien dat ook de kwaliteit van de schouwartsen in Nederland sterk te wensen overlaat.

Als je dan bedenkt dat er ook over de kwaliteit van het politiewerk in dit soort zaken nogal eens wat te zeggen valt, we hebben voorbeelden genoeg, dan hoef je geen doemdenker te zijn om door te hebben dat er in Nederland jaarlijks nogal wat moorden onontdekt blijven en dat de daders er dus straffeloos mee weg komen.

Als je in Nederland iemand om het leven brengt, anders dan door het gebruik van een vuurwapen of een slag- of steekwapen, want dan kan zelfs een blinde zien dat er geen sprake is van een natuurlijke dood, dan maak je een goede kans dat de zaak als een natuurlijk overlijden, zelfmoord of een ongeval wordt afgedaan. Behalve natuurlijk als de overledene een bekende oud-politica is, dan gelden andere regels. Dan wordt wel alles in het werk gesteld om de waarheid te vinden.

Daar is op zich niets mis mee, de nabestaanden hebben daar recht op. Maar dat zou ook moeten gelden voor alle andere nabestaanden. In Nederland zijn we toch allemaal gelijk?