Skip to content
 

De herziening

Han Israëls is universitair docent rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht en onder meer schrijver van het boek  “De bekentenissen van Ina Post”. 

In mei 2010 schreef hij onderstaand lezenswaardige artikel voor blad Fiat Justitia. Dit full colour magazine verschijnt vijfmaal per jaar in een oplage van 4000 exemplaren en probeert studenten aan de hand van een centraal thema een kijkje te gunnen in de juridische keuken. Daarnaast wordt het blad verspreid onder hoogleraren, docenten en medewerkers van de Erasmus Universiteit, en verscheidene advocatenkantoren.

Hoe de Hoge Raad zich niet aan de wet houdt

De afgelopen jaren is de ene na de andere grote strafzaak herzien. De twee van Putten, de Deventer moordzaak, de Schiedammer parkmoord, Lucia de B. – in de meeste van deze zaken zijn onherroepelijk veroordeelde verdachten die al jaren in de gevangenis hadden gezeten, in een nieuw proces alsnog vrijgesproken. Dat is een ontwikkeling van de laatste jaren. Vóór 2002 moet je lang zoeken voordat je vergelijkbare zaken vindt: onherroepelijke veroordelingen waarover in brede kring twijfel ontstond, waarna de veroordeelde verdachten een nieuw proces kregen.

Er is met die recente herzieningen iets vreemds aan de hand. Bijna al die zaken zijn heropend op gronden die juridisch niet deugen. Afgesloten strafzaken kunnen volgens de Nederlandse wet alleen heropend worden als er sprake is van een novum, een nieuw feit, iets dat de rechter indertijd niet wist en ook niet kon weten en dat, als hij dat wel had geweten, vermoedelijk tot vrijspraak of althans tot een lagere straf zou hebben geleid. De ophef van de afgelopen jaren over dubieuze veroordelingen had echter nooit iets te maken met nova, met nieuwe feiten, maar betrof steeds het stellige vermoeden dat de rechter het door onkunde of onoplettendheid verkeerd had gedaan. Bij de Puttense moordzaak liet Peter R. de Vries zien dat de rechter ten onrechte was afgegaan op verklaringen waarvan een kind kon zien dat ze niet deugden. In de Schiedammer parkmoord betoogde Peter van Koppen dat het bewijs op basis waarvan Kees B. was veroordeeld van geen kanten klopte. In de Deventer moordzaak werd al tijdens de rechtszaak getwijfeld aan de juistheid van een geursorteerproef die voor het bewijs was gebruikt. In de zaak van Lucia de B. betoogden Ton Derksen en zijn zus Metta de Noo dat het onderzoek van meet af aan vooringenomen was geweest. Dergelijke fouten van de rechter kunnen echter volgens ons wetboek van strafvordering geen reden zijn om een afgesloten strafzaak te heropenen.

En daarom zijn er de afgelopen jaren rare dingen gebeurd. Onze Hoge Raad houdt hoe dan ook niet van het heropenen van dit soort afgesloten strafzaken – niet helemaal onbegrijpelijk, want je moet afgesloten strafzaken natuurlijk alleen heropenen als dat echt nodig is. En die noodzaak bleek ook in de zojuist genoemde gevallen maar leidde niet tot heropening, omdat het feit dat rechters hun werk niet goed hebben gedaan nu eenmaal geen wettelijke grond voor heropening kan zijn. En dus bleef de verontrusting over die veroordelingen doorzieken en bereikte die bij de zojuist genoemde grote zaken een dusdanige omvang dat de reputatie van de rechterlijke macht zelf in het geding kwam.

En als dat gebeurde – terechte twijfel over een onherroepelijke veroordeling die leidde tot grote maatschappelijke verontrusting – dan deed de Hoge Raad iets opmerkelijks. In al die gevallen deed de Hoge Raad net alsof er op het hoogtepunt van alle deining over rechterlijk falen stomtoevallig net een novum was opgedoken, iets nieuws dat de rechter indertijd nog niet wist en ook nog niet had kunnen weten, maar als hij het geweten had… etcetera. Dat is wel heel erg toevallig! En al die pardoes opgedoken nova deugen dan ook niet. Ze voldoen niet aan de eisen die de Hoge Raad op grond van de wet en de jurisprudentie aan een novum pleegt te stellen. In één geval ging het om een feit dat niet nieuw en ook niet ontlastend was. In een ander geval om een feit dat helemaal niet bestond. Het novum werd in deze gevallen door de Hoge Raad als een schaamlapje uit de hoge hoed getoverd om te verhullen dat het eigenlijk om iets anders ging: de rechter had gefaald en de verontwaardiging daarover kon alleen tot bedaren worden gebracht door net te doen alsof er opeens voldaan was aan de wettelijke eis voor heropening: een novum.

Het begon allemaal met de Puttense moordzaak. In een lange reeks van uitzendingen liet Peter R. de Vries de absurditeit van de veroordelingen in die zaak zien. Hij werd daarin bijgestaan door een autoriteit uit onverdachte hoek: de Rotterdamse oud-hoofdcommissaris van politie Jan Blaauw. De Hoge Raad weigerde niettemin de zaak te heropenen omdat er geen sprake was van een novum. Maar ook Peter R. de Vries gaf geen krimp en bleef doorgaan met het vragen van aandacht voor deze zaak. In totaal wijdde hij er enkele tientallen uitzendingen aan. Tenslotte zwichtte de Hoge Raad en stond hij herziening toe op basis van een novum dat echter van geen kanten klopte en dat ga ik nu uitleggen.

In de Puttense moordzaak werden twee verdachten veroordeeld voor moord en verkrachting. Op het bovenbeen van het slachtoffer was sperma gevonden. Dit sperma bleek echter niet afkomstig te zijn van de verdachten. Hoe kon dat? Dit rare sperma werd wegverklaard met behulp van een deskundige die had uitgelegd dat het afkomstig kon zijn van een eerder vrijwillig seksueel contact en dat het vervolgens tijdens de verkrachting door de verdachten uit de vagina was gesleept zonder dat zij zelf waren klaargekomen. Een merkwaardige theorie die de geschiedenis is ingegaan als de ‘sleeptheorie’. Deze deskundige zal de eindeloze reeks uitzendingen van Peter R. de Vries niet zijn ontgaan en begon steeds meer nattigheid te voelen. Vast staat in ieder geval dat hij op een bepaald moment zijn eerdere ‘sleeptheorie’ herriep. In zijn herroeping schreef hij dat hij indertijd niet volledig geïnformeerd was geweest. Dat klopte niet: de stukken die hij naar eigen zeggen nooit gezien had waren hem wel degelijk ter hand gesteld. Toch heeft de Hoge Raad deze onjuiste herroeping geaccepteerd als het novum waarmee de zaak heropend kon worden. De acceptatie van deze herroeping als novum is des te merkwaardiger omdat het vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is dat normaliter de mening van een deskundige nooit een novum kan zijn. Voor die vuistregel kan men begrip hebben: als meningen van deskundigen een novum zouden kunnen vormen, zou het wel erg gemakkelijk worden om afgesloten strafzaken te heropenen. Er is immers altijd wel ergens een ‘deskundige’ te vinden die bereid is om een geheel nieuwe revolutionaire opinie te lanceren. Maar in de Puttense moordzaak kon de opinie van een deskundige dus opeens wél een novum zijn.

Nog vreemder was de volgende zaak die heropend is: de Deventer moordzaak. De verdachte in die zaak was veroordeeld vooral op basis van zijn lichaamsgeur die door een hond was herkend op een mes dat op enige afstand van de plaats delict in Deventer was gevonden. Dit bewijsmiddel was van meet af aan omstreden, vooral omdat niet eens zeker was dat dit mes iets met de moord te maken had. De discussie bleef ook na de onherroepelijke veroordeling doorzieken en toen accepteerde de Hoge Raad tenslotte als novum een nieuw onderzoek van het mes waaruit bleek dat daarop zelfs met de nieuwste hypergevoelige technieken geen DNA van het slachtoffer kon worden gevonden. Dat was een novum, aldus de Hoge Raad, want als de rechter dit indertijd had geweten, dan zou hij vermoedelijk niet hebben aangenomen dat dit mes het moordwapen was, en hij had dat indertijd nog niet kunnen weten omdat de desbetreffende geavanceerde onderzoekstechnieken toen nog niet bestonden. Dat klinkt op het eerste gezicht niet onredelijk, totdat je weet dat de man die indertijd dit nieuwe DNA-onderzoek naar het mes heeft uitgevoerd, in een interview met het misdaadblad Koud Bloed heeft onthuld dat hij helemaal geen nieuwe, meer geavanceerde technieken heeft gebruikt, maar dat hij het mes heeft onderzocht met behulp van de gebruikelijke techniek die ook al bestond ten tijde van de veroordeling.

Daarna kwam de Schiedammer parkmoord. Dat is een heel ander verhaal. Al vóór de veroordeling was er twijfel over de vraag of het Openbaar Ministerie wel de juiste verdachte te pakken had. Peter van Koppen schreef hierover een rapport dat hij na de onherroepelijke veroordeling omwerkte tot een boek. Hij liet zien dat de verdachte veroordeeld was op basis van bewijsmateriaal dat er eerder op wees dat hij het niet had gedaan. Dit boek was in vakkringen bekend. Niemand heeft publiekelijk de conclusies van dit boek bestreden. Maar tot heropening leidde dit niet. Er was geen novum, en er was voor de Hoge Raad ook geen reden om een nepnovum te verzinnen omdat de publiciteit over deze dubieuze veroordeling vooralsnog niet had geleid tot blijvende breed gedragen verontrusting.

Totdat een jaar na de publikatie van het boek van Van Koppen de ware dader spontaan aan de politie vertelde dat hij die moord in dat park in Schiedam had gepleegd. Zijn vrijwillige bekentenis werd vervolgens bevestigd door aanvullend DNA-onderzoek. Dit alles is onmiddellijk door de Hoge Raad geaccepteerd als een novum waarmee de zaak werd heropend. Want dit was inderdaad een belangrijk nieuw feit, iets dat de rechter indertijd niet wist en ook niet had kunnen weten, terwijl hij, als hij dit geweten had, de oorspronkelijke verdachte ongetwijfeld niet zou hebben veroordeeld.

Hier is dus bij wijze van uitzondering een afgesloten strafzaak heropend met een echt en serieus novum. En toch laat ook deze zaak mooi zien waarom onze huidige herzieningsregeling niet werkt. Achteraf, nu vaststaat dat iemand anders die moord heeft gepleegd, valt nauwelijk nog te begrijpen hoe het mogelijk is dat de eerste verdachte in die zaak indertijd is veroordeeld. Maar ook na lezing van het boek van Van Koppen was er al nauwelijks twijfel mogelijk dat de aanvankelijke veroordeling onjuist was. Als echter de ware dader niet alsnog spontaan had bekend, dan zou de eerste verdachte, ondanks het feit dat iedereen kon zien dat zijn veroordeling niet deugde, naar alle waarschijnlijkheid de rest van zijn leven achter de tralies hebben gezeten.

Bij de rechterlijke macht is dit eenvoudige inzicht nog steeds niet doorgedrongen. Het Openbaar Ministerie daarentegen heeft gelukkig wél beseft dat de Schiedammer parkmoord heeft aangetoond dat er in Nederland misschien nog wel meer onschuldigen zijn veroordeeld, die echter niet het geluk hebben dat de ware dader zich alsnog meldt. En daarom heeft het Openbaar Ministerie de CEAS ingesteld, de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken. Die commissie onderzoekt afgesloten strafzaken waarover twijfel bestaat. Als resultaat van het werk van die commissie is de zaak van Lucia de B. heropend. Over die zaak bestond al veel gedoe. Zo hadden Metta de Noo en Maarten ’t Hart al een fakkeloptocht met gezang georganiseerd bij de gevangenis waar Lucia de B. haar veroordeling tot levenslang uitzat. Ook in die zaak heeft de Hoge Raad toen herziening toegestaan, op grond van een novum dat volstrekt niet voldoet aan de eisen die hij daar normaliter aan stelt en ook dat ga ik nu uitleggen.

In de zaak van Lucia de B. is veel discussie geweest over de vraag of er bij een van de overleden baby’s sprake was van een vergiftiging met digoxine. De deskundigen waren het daar van meet af aan niet over eens. Later zijn er nieuwe deskundigen bij gehaald. Dat leidde echter alleen maar tot nog grotere verwarring. Tenslotte heeft de Hoge Raad als novum het rapport van een allerlaatste deskundige geaccepteerd waarin werd geconcludeerd dat de baby niet was overleden als gevolg van digoxine. Maar ten eerste heeft niemand ooit begrepen waarom dit laatste rapport nu beter zou zijn dan eerdere rapporten die tot andere oordelen waren gekomen. En ten tweede is het vaste jurisprudentie dat rapporten van deskundigen normaliter geen novum kunnen opleveren. De zaak van Lucia de B. illustreert eigenlijk heel fraai hoe verstandig die regel is, want met behulp van deskundigen kun je vaak allerlei kanten op.

De meest recente zaak is die van Ina Post. In die zaak heeft de Hoge Raad vorig jaar een novum geaccepteerd dat niet voldoet aan de twee eisen die daaraan moeten worden gesteld: het is niet nieuw en het is niet ontlastend. Sterker nog: als we het door de Hoge Raad geaccepteerde novum als ‘feit’ accepteren, dan is de conclusie onontkoombaar dat Ina Post het misdrijf heeft gepleegd waarvoor zij meer dan twintig jaar geleden is veroordeeld. Dat ga ik nu echter niet uitleggen, want de lengte van deze tekst begint akelig dicht in de buurt te komen van het maximaal aantal woorden dat mij door de redactie ter beschikking is gesteld en bovendien heb ik dit eerder dit jaar ergens anders al eens uitgelegd, namelijk in het Nederlands Juristenblad van 26 februari 2010 op p.475 e.v.

Wat moet nu de conclusie van dit alles zijn? Onze huidige herzieningsregeling deugt niet. Alle grote geruchtmakende zaken die de afgelopen tien jaar herzien zijn, waren het gevolg van falende rechters. Falende rechters kunnen echter volgens de huidige regelgeving geen reden zijn om een afgesloten strafzaak te heropenen. Dat leidde ertoe dat zulke zaken in beginsel niet heropend werden, en dat zij in die gevallen waarin de maatschappelijke druk te groot werd, alleen heropend konden worden dankzij een juridische truc. De Hoge Raad deed dan net alsof er een novum was ontdekt.

De Hoge Raad zou verlost moeten worden van deze onmogelijke taak. Afgesloten strafzaken moeten ook heropend kunnen worden als de rechters indertijd evident hebben zitten slapen. Maar dat betekent ook dat de herziening moet worden weggehaald bij de Hoge Raad. Want herziening wegens rechterlijk falen betekent dat blijkbaar het hele rechterlijke systeem van behandeling bij de rechtbank, hoger beroep bij het gerechtshof en tenslotte cassatie bij de Hoge Raad heeft gefaald, en je moet het antwoord op de vraag of dat hele systeem heeft gefaald niet leggen bij de top van dat systeem zelf: de Hoge Raad. Er moet een aparte herzieningskamer komen, naar het voorbeeld van de Britse CCRC, de Criminal Cases Review Commission. Momenteel ligt bij de Tweede Kamer een voorstel voor een verandering van de wettelijke herzieningsregeling. Dat nieuwe voorstel lost zo goed als niets op. Er moet een onafhankelijke Revisieraad komen, die afgesloten strafzaken ook kan heropenen als er naar haar oordeel sprake is van – zoals de CCRC dat noemt – een unsafe conviction, een dubieuze veroordeling.

Maar voorlopig zal dit wel niet lukken. Op dit moment zijn alleen SP en Groen Links voorstander van zo’n Revisieraad. Wat moet u dan doen als u stuit op een onherroepelijke veroordeling die niet deugt en u wilt proberen om die zaak heropend te krijgen? Volgens de wet kan dat alleen als u een novum vindt. Volgens mij kunt u uw tijd echter nuttiger besteden. Ga niet op zoek naar een novum, maar leg uit waarom die veroordeling niet deugt en maak daarover zoveel mogelijk stampij. En als dat lukt en de herrie uiteindelijk zelfs de Hoge Raad te veel wordt, dan tovert die zelf wel een novum te voorschijn.

Han Israëls Maastricht, 27 mei 2010

Noot: Inmiddels hebben we de zaak Ina Post achter de rug.  Na 24 jaar eindelijk vrijspraak voor haar. De heropening van haar zaak was ook het gevolg van een door de Hoge Raad gevonden novum waarvan iedereen die de zaak kende vond dat dit niet paste bij de feiten.

 

2 Comments

  1. Chris says:

    Gezegd wordt dat normaliter de mening van een deskundige nooit een novum kan zijn.
    Dit is niet geheel juist: dit is wel mogelijk als het om dezelfde “eigen” deskundige gaat die gerapporteerd had. Dit werd als zodanig als mogelijke nieuwe vorm van novum naar buiten toe gebracht bij de Lucia de Berk zaak.

    Het is correct te stellen dat Cees nog steeds in de gevangenis zou hebben gezeten als Wik H. niet had bekend. Dit terwijl niet alleen Van Koppen wist dat er iets mis was, ergo, de twee eigen deskundigen wisten dit al langer gezien hun DNA bevindingen maar hun mond tijdens de rechtzaak hielden “omdat de rechter niet de juiste vragen stelde”.

    Een van beider deskundige in de Deventer Moordzaak accepteerde dat zijn DNA bevindingen uit 1999 door de OvJ werd achtergehouden (volgens Bas de Haan). En later zouden beiden weer over het DNA onderzoek onware verklaringen afleggen.

    Tel daarbij op dat in de Puttense zaak Peter R. de Vries liet zien dat “de rechter ten onrechte was afgegaan op verklaringen waarvan een kind kon zien dat ze niet deugden.” en dat momenteel meer mensen langdurig vastzitten op grond van bewijs waarvan een kind kan zien dat ze niet deugen zoals de zaak Overzier en de Incestzaak.

    Kortom, ik wordt onderhand wel gedwongen om te zeggen: geef mij maar een lekenjury…

  2. demo says:

    “Afgesloten strafzaken kunnen volgens de Nederlandse wet alleen heropend worden als er sprake is van een novum, een nieuw feit, iets dat de rechter indertijd niet wist en ook niet kon weten en dat, als hij dat wel had geweten, vermoedelijk tot vrijspraak of althans tot een lagere straf zou hebben geleid.”

    Je kunt het natuurlijk ook anders stellen: Een bepaald onderdeel van deze zaak spreekt zo tegen het gevelde vonnis, dat wij wel moeten aannemen, dat de rechter dit destijds niet wist (*), want anders had hij wel anders geoordeeld. Dus is het een novum.
    Het is een cirkelredenering, maar wel een geldige. In absurde situaties geldt absurde logica.

    (*) Wat is (kunnen) weten?

Leave a Reply