Skip to content
 

NFI wil niet leren van fouten

Door Harrie Timmerman

Sinds zaterdag kan iedereen weten dat het NFI veel fouten maakt. Nu is fouten maken tijdens het werk op zich onvermijdelijk, maar er niet van wil leren is slecht. En de wijze waarop het NFI met de gemaakte fouten omgaat, de doofpotstrategie toepassen, is nog veel slechter. Met een aantal voorbeelden uit zaken waar ikzelf (direct of zijdelings) bij betrokken was, wil ik deze stelling illustreren.

De zaken van Varsha en Milly.
In 2003 was ik betrokken bij de zaak Varsha Mohansing, een 14-jarig meisje dat vermoord en naakt werd aangetroffen in de badkuip van het ouderlijk huis. Aangezien Varsha die dag naar school moest en haar broer en zus hadden verklaard dat, toen zij die ochtend het huis verlieten, Varsha al was aangekleed, werd er rekening mee gehouden dat zij het slachtoffer was geworden van een zedenmisdrijf. Dus moest er onderzoek plaatsvinden naar de aanwezigheid van sperma op of in het lichaam van Varsha. Normaal is het dat DNA-onderzoek gebeurt door de afdeling Biologie van het NFI. Echter, een medewerker van de afdeling Pathologie was van mening dat hij dit onderzoek ook wel kon doen en nam uitstrijkjes uit de vagina van Varsha. Daarop trof hij ‘een witte klodder’ aan en die hij vervolgens onderzocht op de aanwezigheid van levende spermacellen. Nadat hij die niet had aangetroffen heeft hij het materiaal weggegooid. Op zich al een fout, want er zijn andere methoden om DNA in dit soort materiaal vast te stellen.
Maar de fout had grotere consequenties doordat later bleek dat de verdachte steriel was en dus geen levende spermacellen kon produceren. En doordat er door het NFI ook elders geen DNA werd aangetroffen, zou de verdachte mogelijk de dans zijn ontsprongen, ware het niet dat een medewerker van de afdeling Biologie, die niet kon geloven dat er helemaal geen DNA te vinden zou zijn, in zijn vrije tijd het andere materiaal nogmaals heeft onderzocht. En hem lukte het wel DNA van de verdachte aan te treffen.
Je zou verwachten dat dit een goede les was geweest voor het NFI, namelijk nooit meer iemand van de afdeling Pathologie dergelijk onderzoeken laten uitvoeren. Het protocol werd echter niet aangepast.

In de zaak van Milly Boele in 2010 heeft men ook onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van sperma op het lichaam van Milly. Bij haar werd op een lip en op de voorkant van een tand DNA aangetroffen afkomstig uit sperma van de verdachte.
Het NFI meldde daarnaast dat in de mond van Milly geen onderzoek was gedaan doordat zij door de lijkstijfheid haar mond niet konden openen. Een kulargument, omdat er methoden zijn om in een dergelijk geval de kaken van elkaar te krijgen. Maar het is nog veel erger, er is zelfs gelogen door het NFI. Lijkstijfheid, zo leert ons de vakliteratuur, duurt hoogstens 3 tot 5 dagen en eindigt meestal met het verminderen van stijfheid in de kaken.
Milly is op woensdagavond uit haar ouderlijk huis meegenomen en volgens de verdachte diezelfde avond al voor 21.00 uur om het leven gebracht. De dinsdag erna heeft de verdachte zich ‘s middags gemeld bij het politiebureau en vervolgens is het stoffelijk overschot later die avond aangetroffen in de tuin van de verdachte.
Dit betekent dat de sectie en het onderzoek aan het lichaam op woensdag hebben plaatsgevonden, dus zeven dagen nadat Milly was vermoord. Daaruit had het NFI moeten concluderen dat Milly nog minstens twee dagen na haar ontvoering heeft geleefd (en dan zou de verdachte gelogen moeten hebben en dat is gezien de verdere omstandigheden onwaarschijnlijk) of zou het NFI moeten toegeven dat zij vergeten zijn onderzoek te doen in de mond van Milly.
De verdachte, die het zedenaspect van de zaak steeds probeerde te minimaliseren, kwam nu weg met een verklaring dat dit sperma daar terecht moet zijn gekomen toen hij haar lichaam naar de tuin versleepte. Ik heb nog nooit met een lijk gesleept en kan dus niet bogen op eigen ervaring. Maar het gaat mijn voorstellingsvermogen te boven hoe dit moet zijn gebeurd. Onbegrijpelijk dat de rechtbank dit verhaal heeft geaccepteerd, maar ook onbegrijpelijk dat het NFI een dergelijk verhaal niet naar het rijk der fabelen heeft verwezen.

Conclusie
Het NFI gebruikt nog steeds geen goede protocollen in zedenzaken, waardoor belangrijk bewijsmateriaal verloren gaat. Men heeft dus niets geleerd van eerder gemaakte fouten. Erger nog, men ontkent dat er fouten worden gemaakt. In de zaak van Varscha is de ´witte klodder´ nimmer gerapporteerd aan politie en justitie. In de zaak van Milly heeft men voor de rechter zitten liegen om hun fout te verhullen. Er is dus in feite sprake van meineed.

De Schiedammer Parkmoord
In de zomer van 2004 woonde ik een lezing bij van een medewerker van het NFI, waarin hij uitlegde wat er mis was gegaan in het DNA-onderzoek in de Schiedammer Parkmoord. Het NFI had sporen op het lichaam en het moordwapen onderzocht en op basis van dit onderzoek kwam men tot de conclusie dat de verdachte in deze zaak niet in aanmerking kon komen als dader. Men heeft toen, voor het eerst in de geschiedenis, de betrokken ovj uitgenodigd om haar uit te leggen waarom de verdachte niet de dader was. De ovj was hier kennelijk niet van onder de indruk, want zij verzocht het NFI een rapport te schrijven ´waarmee de verdediging niet aan de haal kon gaan´.
In het rapport van het NFI werd voldaan aan de wens van de ovj. Slechts twee DNA-sporen werden beschreven en daarover werd wel vermeld dat hierin de verdachte niet voorkwam. Maar, zo legde men ook tijdens de rechtszitting uit, dit kon verklaard worden omdat deze sporen ook door een ander zouden kunnen zijn achtergelaten. Vijf sporen werden afgekeurd, formeel omdat het partieel DNA betrof (maar dat gold ook voor de twee wel beschreven sporen), en dit waren nu net sporen die alleen door de dader konden zijn achtergelaten. Anders gezegd, het NFI had niet de volledig waarheid gemeld.

Aangezien niemand van de politie en het OM met deze informatie iets wilde doen, hebben wij dit destijds aan de pers doorgegeven. Dit was reden voor de politie om ons hard aan te pakken en werd er een auditcommissie benoemd die de zaak moest onderzoeken. Het NFI werd ook uitgenodigd en heeft toen verteld dat ik geen DNA-deskundige was en er daardoor niets van had begrepen. Hoezo, niets van begrepen. Het was het NFI zelf die het OM van hun twijfels op de hoogte had gebracht. Alvorens ik het verhaal voor de tv heb verteld, is het materiaal onderzocht door een gerenommeerd DNA-onderzoeksbureau in Engeland en hun conclusie was dat het NFI had moet rapporteren dat de verdachte niet de dader kon zijn. Tot op heden heeft het NFI nooit toegegeven in deze zaak fout te hebben gehandeld.

Conclusie
Het lijkt er sterk op dat het NFI het vooral belangrijk vindt dat de opdrachtgever tevreden wordt gesteld en dat het vinden en melden van de waarheid daaraan ondergeschikt wordt gemaakt. Men gaat daarin zelfs zo ver dat men bereid is rapporten te vervalsen en meineed tijdens de rechtszitting te plegen.

De zaak Van der Lei
Het tevreden stellen van de opdrachtgever kwam ik ook tegen in de zaak van het echtpaar Van der Lei. In deze zaak kregen wij mondeling te horen dat de onderzoeker van het NFI voor ons positieve resultaten gevonden. Deze resultaten werden bevestigd door aanvullend onderzoek dat door het FLDO in Leiden was uitgevoerd.
Toch ontvingen wij in 2004 een rapport van het NFI waarin stond dat er geen resultaten vielen te melden. Echter, nadat bekend was geworden dat de pers was ingelicht over de Schiedammer Parkmoord kwam er ongevraagd een nieuw rapport binnen van het NFI waarin, zonder dat er nieuw onderzoek was gedaan, werd vermeld dat er wel sporen van de verdachte en de slachtoffers aanwezig waren en daarmee was de zaak bewijstechnisch rond.
Het lijkt er op dat de politie in Groningen daarmee werd beloond voor het krachtdadig optreden tegen de verspreiders van het (voor het NFI) slechte nieuws.

De zaak Gonda Drent
In 1996 werd Gonda Drent vermoord in haar woning en was er daarna brand gesticht, kennelijk om sporen uit te wissen. Haar echtgenoot is voor dit misdrijf in 2008 veroordeeld.
Tijdens het onderzoek in 2004 hebben wij een rok, die Gonda de middag voor haar overlijden had gedragen maar die ze tijdens de brand niet meer aanhad, laten onderzoeken bij het NFI. In die rok zat namelijk een vlek op een plaats waardoor het leek alsof zij ontlasting had laten lopen. En ontlasting laten lopen kan voorkomen door gewelddadig overlijden. Het leek er dus op dat de dader de moeite had genomen om na de moord het slachtoffer andere kleren aan te doen.
Het NFI meldde na drie maanden dat men niets in de vlek op de rok had aangetroffen. Dit verbaasde ons zo dat we daarna een contra-expertise hebben laten uitvoeren door prof. Ughes van de Groninger Universiteit. We waren blij verrast dat het hem wel was gelukt om creatinine (een stof die in urine voorkomt) aan te treffen. Mijn conclusie was destijds dat het NFI kennelijk de rok niet had onderzocht en om dit te verhullen ons hadden gemeld dat men niets had aangetroffen.

Twee jaar later werd ik, n.a.v. de Schiedammer moordzaak, uitgenodigd voor een gesprek met een directielid van het NFI. Tijdens dit gesprek werd mij gevraagd op welke onderzoeken van het NFI ik nog meer kritiek had. Daarbij heb ik ook dit onderzoek genoemd. Mij werd beloofd dat hij dit zeker zou uitzoeken en dat ik van zijn bevindingen op de hoogte zou worden gesteld. Ik wacht nog steeds op een antwoord. Een reden des te meer om aan te nemen dat mijn vermoedens juist waren.

Conclusie
Het NFI is al jaren bezig slecht werk te leveren. Kritiek wordt niet gebruikt om hun product te verbeteren. Integendeel, het NFI wringt zich in allerlei bochten om te voorkomen dat ze een slecht imago krijgen. Daarbij worden alle middelen in de strijd geworpen.
Zo heb ik, vooraf aan de publicatie van mijn boek Tegendraads over mijn ervaringen bij de Groninger politie, twee brieven van de Landsadvocaat mogen ontvangen waarin ik namens de NFI werd gesommeerd mijn teksten aan te passen dan wel mijn boek niet uit te geven. Indien ik daaraan geen gehoor zou geven dan zouden juridische maatregelen tegen mij worden getroffen. Ook de uitgever van het boek heeft degelijke brieven ontvangen.

Het lijkt er op dat het NFI niet op zoek is naar de waarheid, maar het kennelijk belangrijker vindt de opdrachtgever tevreden te stellen. Daartoe is men bereid de rechter vals voor te lichten, meineed te plegen, slecht functionerende medewerkers de hand boven het hoofd te houden en kritische medewerkers weg te werken.
De man die de in dit artikel genoemde rapporten heeft geschreven, werkt namelijk nog steeds voor het NFI. En is zelfs hoogleraar geworden om studenten bij te brengen hoe forensisch onderzoek te doen. De onderzoeker die zich steeds meer ging verzetten tegen deze praktijken, werd het leven binnen het NFI zo zuur gemaakt dat hij een eigen onderzoeksbureau is begonnen (het IFS). Kennelijk is dit bon ton in dit milieu.

Hetzelfde gebeurde met mij en mijn collega rechercheur Dick Gosewehr na het naar buiten brengen van de problemen in de Schiedammer Parkmoord. Oscar Dros, de korpschef van de politie Groningen, liet ons in duidelijke bewoordingen weten dat wij door onze kritiek op het NFI het imago van dat instituut hadden beschadigd en dat hij daarom maatregelen tegen ons zou nemen. Inmiddels moge duidelijk zijn dat onze kritiek volkomen terecht was.

Dick Gosewehr en ik werken als gevolg van onze kritische houding al enkele jaren niet meer voor politie of justitie, maar de verantwoordelijken – die destijds de fout in gingen en die meegeholpen hebben de deksel op de beerput te houden – hebben hun baan behouden en in de meeste gevallen zelfs promotie gemaakt. Brederoo zei het al `Het kan verkeren`.

One Comment

  1. juzo says:

    Petje af, mijn compliment en bewondering voor de eerlijke en openhartige manier waarop werken en functioneren binnen en buiten het NFI naar buiten worden gebracht. Ik vind dit ook de enige juiste methode, die waar dan ook en hoe dan ook tot verbetering van situaties kan strekken, en er is veel moed voor nodig. Het is mooi en goed om te zien, dat dit in heel spaarzame gevallen, heel goed zoals nu gebeurt. Daarom: mijn complimenten voor dit openhartige relaas!

    Zelf heb ik veel, en vaak intensief met de voorloper van het NFI, de technische en tactische recherche bij de rijkspolitie en bij de gemeentepolitie zoals ze toen nog heetten, te maken gehad. Ik mocht meereizen overal naartoe en werken terwijl de functionarissen aan het werk waren, met hun dag in dag uit de gang van zaken in de diverse onderzoeken en zaken bespreken terwijl ze aan het werk waren en ik er met m’n dikke neus ovenop stond dat is al heel uitzonderlijk en erover publiceren in een door alle partijen aanvaarde vorm. Ook in de rechszaken en gedingen die er betrekking op hadden kreeg ik alle medewerking. Daar was ik heel erg blij mee en ik behandelde dat heel zorgvuldig. Het is niet makkelijk vertrouwen te winnen van alle partijen, ook van “de baas”.

    Mijn mening was en is (gebleven), dat er door TR destijds en NFI tegenwoordig toch nog wel goed en redelijk verdedigbaar kwalitatief werk wordt geleverd, maar het is in altijd moeilijke omstandigheden. Daarbij gaat er altijd wel eens wat fout vanuit bepaald oogpunt bezien en het is voor “buitenstaanders” als ons altijd op kousevoetjes lopen, heel voorzichtig informeren waarom de zaken op een bepaalde manier worden afgehandeld en in verband brengen met machten en krachten buitenzijds, zoals de buregemeester, de (hoofd)officier van Justitie of de politiek (gemeenteraadsleden) die aan bepaalde zaken hun macht en kracht, beinvloeding en eigenbelang willen hechten en trekken en die de zaak zelf in die gevallen dus altijd wel willen, zullen en kunnen vertroebelen.

    Dat is een uiterst moeilijke manier van weken die nu eenmaal aan het beroep is verbonden. Daar is niet zo erg veel aan te veranderen. Het is niet zo dat we ons daarbij moeten neerleggen.

    Daar heb je nu eenmaal mee te maken, alle werk is mensenwerk en daar is niet vaak zomaar van alles en snel veel goeds aan te doen. Dat is het moeilijke karakter van politiewerk, en ook van verslaggeverswerk je hebt in alle eerlijkheid, waarheid altijd te maken met vertroebelende en soms wel degelijk vervuilende elementen, meningen, stromen en beinvloedingen. We zullen ermee moeten leren leven.

    Zo was de waarheid zoals die in de rechtszaal werd afgeschilderd ook altijd totaal anders, dan dat ik die in werkelijkheid staande op plaats delict, zelf had waargenomen en had aangeraakt vlak nadat het incident gebeurde, bij wijze van spreken.

    Maar wat moet je in zo’n geval daarmee doen? Je kan niet in alle gevallen op eigen houtje en gezag zeggen en schrijven dat het anders was, of dat het anders had gemoeten want dan moet je terugvallen op geaccepteerde en te accepteren autoriteiten waarvan je eerst zelf de betrouwbaarheid en integriteit in dat soort zaken moet onderzoeken. Anders kan je er geen verantwoordelijheid en aansprakelijkheid voor jezelf voor nemen. een groot rechtvaardigheidsgevoel als karaktertrek heeft lang niet iedereen. En zeker hebben dat de lezers niet daar kunnen we niet van uitgaan. Toch al het publiek in een bepaalde richting moeten worden voorgelicht.

    Het is een moeilijke zaak.
    Onder de vele leden van het NFI en de vroegere TR’s zitten beslist zeer grote aantallen goede en hardwerkende mensen die een goed stuk werk en kwaliteit van hun inspanningen en hun idealen, doeleinden willen leveren en maken maar die dat in sommige gevallen niet kunnen, zonder zichzelf schade aan te doen.

    Dat zijn de frustraties van het beroep en die zijn niet te onderschatten.
    Er zijn heel wat zeer goede politiemensen ziek thuis en uit de running door geraakt.
    Dat is altijd een bewijs van onvermogen door de maatschappij.

    In feite is er nooit een goede sluitende oplossing voor te vinden.
    Daarvoor zit de maatschappij te vzeer gedifferentieerd en te gevarieerd in elkaar hetgeen ook een goede en democratische eigenschap is.

    Dat er aperte fouten worden gemaakt, dat kan natuurlijk niet, in geen enkel beroep of functionaliteit, en daarvoor zou je bij wijze van spreken bij iedere zaakbehandeling voldoende erkende en integere, betrouwbare vakbekwame journalisten mee moeten sturen.

    Maar de vraag is of het allemaal wordt gepubliceerd. Als dat niet gebeurt, heb je er nog niets aan. De verdeelsleutel van de dagelijkse, wekelijkse, jaarlijkse kopij van dagbladen is, dat er maar een klein percentage “misdaad-, politie- en justitiejournalistiek” in de krant mag staan. Anders gaat de lesersintensiteit verloren en “levert het product geen geld meer op”. Ook afhankelijk van de kwaliteit van de makers, de verslaggevers.
    De eerste eis, die we aan het product moeten stellen is, dat het geld, verkoopbaarheid, oplevert. Dat is altijd gevaarlijk. De waarheid, en de kwaliteit, zijn in het geding.

    We zien dus dat de geschetste moeilijkheden niet zomaar een twee drie oplosbaar zijn.
    Toch is het goed dat er uitgebreid over wordt gerapporteerd en gediscussieerd en daarom sta ik achter de handel en wandel, de gang van zaken die de twee hier in alle genoemde webactiviteiten gespresenteerde rechercheurs volledig positief en met volle overtuiging. Ik moedig ze zelfs aan.

    Jullie doen goed werk, laat je door niets en niemand tegenhouden.
    Het goede overwint altijd en de rekening, van het kwade, wordt op den duur altijd betaald.
    Dan heb je je later niets te verwijten en leef je in het besef, dat je alleen maar het beste dat mogelijk was, hebt gedaan.
    Dat is van de grootste waarde, die maar denkbaar is.
    Veel succes.

    Hartelijke groet.
    Jules Zollner.
    Oud-politie- en justitieverslaggever.

Leave a Reply