Skip to content
 

Nieuw onderzoek gevraagd naar moord op Maja van Vloten

Door Waarheidsvinder

“Reeds voordat het rapport van de commissie Posthumus over de opsporing verscheen, zijn in Groningen stappen ondernomen die juist dergelijke fouten in de opsporing moeten voorkomen. Natuurlijk is het zo, dat Groningen zowel van haar eigen fouten en die van anderen in het land heeft geleerd en moet blijven leren. Die kennis wordt onverkort ingezet om met een vastberaden overtuiging de nog niet opgeloste ernstige delicten alsnog tot klaarheid te brengen.”

Dit was het slot van een open brief van korpschef Oscar Dros en hoofdofficier van justitie Jan Eland, die op 15 december 2005 werd gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden. De vraag is natuurlijk of het juist was wat in deze brief stond.

De moord op Maja van Vloten
In de nacht van dinsdag 14 op woensdag 15 september 1994 werd de 49 jarige vluchtelingenwerkster Maja van Vloten in haar woning aan de Meeuwerderbaan 8 in Groningen vermoord. Haar lichaam werd echter pas enkele dagen later door de politie gevonden, nadat ongerust geraakte vriendinnen de politie hadden benaderd omdat Maja afspraken niet was nagekomen en zij geen contact met Maja konden krijgen.

Om verschillende redenen vermoedde de politie al snel dat Maja door een bekende was vermoord;
– Haar woning vertoonde geen braaksporen,
– Er brandde een lampje in de slaapkamer en het slachtoffer was gekleed in en T-shirt en een slipje, niet direct kleding waarin je onbekenden in je woning ontvangt
– De fiets van Maja bleek nog op haar werk te staan terwijl ze op 14 september haar laatste werkdag had gehad. Kennelijk had ze dus een lift van haar werk naar huis had gehad van een goede bekende.
Maja bleek door middel van minimaal 26 messteken om het leven gebracht. Gezien de plaatsen waar de wonden zaten had de dader in blinde woede gehandeld. Veelal duidt dit er op dat er een relatie was tussen de dader en het slachtoffer
Het lichaam van Maja, dat op de vloer naast het bed werd aangetroffen, was na de moord door de dader verborgen onder een stapel kleding. Dit soort gedrag kom je vaker tegen als de dader een bekende van het slachtoffer is en in grote woede heeft gehandeld. Als de woede gezakt is en de dader ziet wat hij heeft aangericht, dekt hij – vaak uit een soort schaamtegevoel – het lichaam toe.

Hoewel de politie destijds een verdachte heeft aangehouden, een buitenlandse man die het slachtoffer al langere tijd als cliënt kende, leidde het onderzoek niet tot een veroordeling. De zaak werd wegens gebrek aan bewijs door justitie geseponeerd.
Als lid van het Cold Case Team (CCT) van de politie Groningen hebben wij later deze zaak bestudeerd, waarna wij tot dezelfde conclusies kwamen als tijdens het eerste onderzoek.
Het onderzoek was destijds professioneel uitgevoerd en het feit dat het bewijs niet kon worden geleverd, had niet te maken met de kwaliteit van het onderzoek maar met de technische mogelijkheden die er toen waren. DNA onderzoek stond toen nog in de kinderschoenen.

De “dader” meldt zich
Op vrijdag 26 augustus 28 te 2005 meldde de toen 47 jarige Karel van Orden zich aan het politiebureau Rademarkt in Groningen met de mededeling dat hij een moord wilde bekennen. Uit de perspublicaties bleek dat het ging om de moord op Maja van Vloten.
Inmiddels maakten wij geen deel meer uit van het CCT en dus moesten wij de zaak volgen via de media en wat verspreide berichten die ons vanuit het korps bereikten. Op deze wijze bleek ons dat de bekentenis van Karel niet klopte met de ons bekende feiten.
Eén van uw redacteuren heeft daarom op 16 november 2005 via een oud-collega van het CCT een mailtje gestuurd naar de leider van het onderzoek. Een kopie van het mailtje stuurde hij bovendien naar de chef van de districtsrecherche in Winschoten, alwaar hij inmiddels te werk was gesteld. In een bijgevoegde analyse werd uitgelegd waarom de bekentenis van Karel niet klopte met de feiten.
In plaats van een uitnodiging voor een nader gesprek kwam er aan reactie van de jurist van de korpsleiding die duidelijk maakte dat een dergelijk inmenging in de gang van zaken niet op prijs werd gesteld. Niet mee bemoeien was dus het devies.

Uw andere redacteur heeft destijds, nadat hij via een journalist had kennisgenomen van het requisitoir van de behandelend officier van justitie tijdens de rechtzitting, in een telefoongesprek met hem proberen duidelijk te maken dat wij van mening waren dat hij de verkeerde verdachte had voorgebracht. De officier dacht daar anders over doordat hij, na later is gebleken, door de politie op het verkeerde been was gezet. We komen daar nog op terug.

De veroordeling van Karel van Orden
Op 22 december 2005 werd Karel van Orden door de rechtbank in Groningen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar. En daarmee was de zaak gesloten.

Brief aan korpschef
Wij konden de zaak echter niet laten rusten en om die reden heeft één van uw redacteuren, die toen nog steeds bij de politie Groningen werkzaam was, op 31 januari 2007 alsnog een brief geschreven aan korpschef Oscar Dros. Een kopie van de brief ging naar de chef van de districtsrecherche in Winschoten. In de brief is uitgelegd waarom de veroordeling van Karel van Orden volgens ons niet terecht was en de schrijver verzocht de korpschef om een review van de zaak door onpartijdige deskundigen.

Ook deze keer geen uitnodiging voor een gesprek, maar wederom een brief.
Op 7 februari antwoordde Oscar Dros dat hij opnieuw naar de zaak zou laten kijken. Maar daarnaast deelde hij de schrijver mee dat hij een kopie had gestuurd naar de districtschef opdat die zich met de schrijver “zou verstaan over de verenigbaarheid van uw huidige functie in dit district met het onderzoeken van dossiers die met deze hoofdfunctíe geen verband houden .”
Kortom de chef van het district moest uw redacteur vragen waar hij zich mee bemoeide. Dat gesprek heeft overigens nooit plaatsgevonden.

Op 26 mei 2007 kwam uiteindelijk de reactie van Oscar Dros. Hij deelde mede dat hij het dossier had laten bestuderen door twee voormalige recherche-chefs uit het eigen korps. Geen onafhankelijke deskundigen dus, maar gepensioneerde leden van het korps Groningen. De beide heren waren volgens Oscar Dros tot de conclusie gekomen “dat het opsporingsonderzoek zorgvuldig is geschied, dat zij met name ten aanzien van de wijze van verhoor van Karel van Orden geen kritiek hebben en dat hij op juiste gronden als verdachte is aangemerkt.”
En daarmee was de zaak voor de politie Groningen definitief gesloten.

Maar dat gold niet voor ons.
Een van uw redacteuren heeft contact gezocht met de veroordeelde Karel van Orden en advocaat Geert-Jan Knoops en die heeft de zaak daarop in behandeling genomen. Het nieuwe onderzoek heeft onder andere duidelijk gemaakt dat:
– de bekentenissen van Karel van Orden niet kloppen met de feiten, dus dat het nagenoeg zeker om een valse bekentenis gaat
– dat er belangrijke informatie door de politie aan de rechter is onthouden
– dat er op bepaalde punten in strijd met de waarheid is gerapporteerd

Die samenwerking heeft er toegeleid dat op 20 november 2012, op basis van nieuwe wetgeving, door advocaat Knoops een verzoek tot een nieuw onderzoek is ingediend bij de Hoge Raad.

Slot
In januari 2005 zijn wij beiden uit het CCT van de politie Groningen gezet omdat wij volgens de korpsleiding ongewenste contacten met de media hadden gehad over door ons geconstateerde misstanden. Korpschef Oscar Dros verweet ons in een persoonlijk gesprek op 3 januari 2005 dat wij niet met hem contact hadden opgenomen mar met de media. Wij zouden bij hem een open oor hebben gevonden was zijn stelling. In deze zaak hebben wij zijn advies opgevolgd, u heeft kunnen lezen waartoe dit heeft geleid. Tot niets.

Door een destijds door de korpsleiding ingestelde onderzoekscommissie werd ons verweten dat wij over de problemen geen contact hadden gezocht met de ondernemingsraad (OR). Dat hebben wij natuurlijk in onze oren geknoopt en dus heeft één van uw redacteuren in 2007 ook contact gezocht met de OR. De voorzitter van de OR is persoonlijk thuis op bezoek geweest en verzekerde dat hij de zaak zou gaan onderzoeken. Hij zou met alle betrokkenen een gesprek aangaan. Nadien heeft hij noch de rest van OR ooit iets van zich laten horen. Mogelijk heeft iemand de leden van het OR ingefluisterd dat het niet goed voor hun carrière zou zijn als zij zich met deze zaak zouden inlaten.

Hopelijk zal de Hoge Raad de zaak wel serieus willen laten onderzoeken en komt de waarheid na meer dan 7 jaar alsnog op tafel. Want – indien wij gelijk hebben – heeft Karel van Orden niet alleen jaren onschuldig vastgezeten, maar loopt de werkelijke moordenaar van Maja van Vloten nog steeds vrij rond.

Noot 15 juni 2015

Rijkelijk laat bij deze de laatste ontwikkelingen in deze zaak. Het NFI heeft n.a.v. het verzoek van de ACAS opnieuw DNA-onderzoek gedaan in deze zaak. De uitslag was dat er op het touw waarop het slachtoffer lag, en waarop bloed en haren van haar waren aangetroffen, nu een match met Karel van Oden werd gevonden met een zekerheid van kleiner dan 1 op de miljard. Deze uitslag was voor de ACAS en het Hof aanleiding om van verder onderzoek af te zien. En terecht, want met een dergelijke uitslag zal geen rechter bereid zijn in een revisiezaak tot een andere conclusie te komen dan de rechtbank in eerste instantie.

Voor ons onverklaarbaar blijven twee zaken.

  1. Hoe is het mogelijk dat er op dit touw DNA van Karel is aangetroffen, terwijl hij er zeker van is geen touw te hebben gebruikt. De normale verklaring, ‘dan liegt hij daarover’, gaat hier niet op. Immers Karel heeft zichzelf als dader gemeld en was tijdens het verhoor erop gebrand dat de politie hem geloofde. Zelfs na ons onderzoek bleef zijn gevoel dat hij de dader was. Maar hij vond wel dat, gezien de hoeveelheid missers in zijn verklaring, de zaak opnieuw zou moeten worden onderzocht.
  2. Waarom is het NFI in deze in twee opzichten afgeweken van het normale protocol. Normaal is het dat het NFI alleen antwoord geeft op de door het OM gestelde vragen. De ACAS had gevraagd om nader onderzoek te doen naar het DNA van een onbekende man, dus niet Karel, dat is aangetroffen bij een bloedvlek van het slachtoffer in haar bed. De ACAS had gevraagd om te onderzoeken of bepaald kon worden of dit DNA afkomstig was van iemand die past bij het door ons geschetste scenario, namelijk dat de dader een cliënt van het slachtoffer (in casu een asielzoeker). Een dergelijk onderzoek wordt door het NFI altijd uitbesteed aan het FLDO van het UMCG (Universitair Medisch Centrum Leiden). In plaats van dit protocol te volgen, heeft men zelf onderzoek gedaan. Waarbij er geen antwoord is gegeven op de door de ACAS gestelde vraag. Ook een afwijking van het protocol. Het NFI gaf daar als reden voor op dat het hun eer te na was om dit uit te besteden. Dan blijft de vraag waarom deze zaak zo uniek was dat het voor het NFI een erezaak werd. Naar het antwoord daarop, kunnen wij slechts gissen.

Leave a Reply